“Het was een echte eye-opener. Je merkt hoe groot de impact van beleid kan zijn op iemands leven.”
Samen leren, samen doen
Burgerkracht Limburg werkt al enkele jaren samen met de opleiding Gezondheidswetenschappen van de Universiteit Maastricht aan een bijzonder onderwijsproject over patiënten- en burgerinitiatieven. Elk jaar krijgen studenten de kans om aan de slag te gaan met échte vraagstukken uit de samenleving – ingebracht door initiatieven die zich inzetten voor mensen met gezondheids- of maatschappelijke uitdagingen. Vanaf dit jaar heeft de samenwerking een passende naam: Samen Sterk – studentenonderzoek met Burgerkracht Limburg.
Onderzoek mét mensen, niet alleen óver mensen
In de Samen Sterk-module voeren studenten zeven weken lang onderzoek uit in opdracht van een patiënten- of burgerinitiatief. Daarbij draait het niet alleen om cijfers of theorie, maar vooral om écht contact met mensen.
Studenten spreken bijvoorbeeld mensen die leven met een chronische ziekte, armoede of een zware mantelzorgtaak. Zo ontdekken ze hoe beleid, zorg en maatschappelijke ondersteuning elkaar raken in het dagelijks leven.
Een praktijkvoorbeeld: samenwerking met Hersenletsel
Een van de studentengroepen werkte dit jaar samen met de Hersenletsel. Hun onderzoek richtte zich op de vraag hoe de stichting beter en eerder in contact kan komen met patiënten en revalidanten. In overleg met de opdrachtgever scherpten de studenten de onderzoeksvraag aan tot: Hoe kan een patiëntenvereniging beter contact maken met (ex-)patiënten of revalidanten? En wat betekent dat contact voor de patiënt zelf? De aanleiding was helder: veel mensen ervaren na hun revalidatie een “gat”. Ze kunnen niet terug naar hun oude leven en voelen zich soms aan hun lot overgelaten. Contact met lotgenoten via een patiëntenvereniging kan dan een wereld van verschil maken.
Leren van de praktijk
Voor de studenten bleek de module een indrukwekkende ervaring.
“Voor mij was dit echt een eye-opener,” vertelt een van hen. “Tijdens de interviews hoorde ik persoonlijke en vaak emotionele verhalen. Het raakte me hoe groot de invloed van beleid kan zijn op het leven van mensen.”
Ook de samenwerking met de opdrachtgever liet een blijvende indruk achter:
“We hadden voor het eerst zó intensief contact met een organisatie, zonder tussenkomst van docenten. Dat maakte ons echt verantwoordelijk voor het proces. We leerden hoe belangrijk het is om de opdrachtgever actief op de hoogte te houden, ook als we geen dringende vragen hadden.”
Van cijfers naar mensen
De belangrijkste les? Beleid en onderzoek gaan niet alleen over data, maar over mensen van vlees en bloed. “Als toekomstig beleidsmaker wil ik verder kijken dan cijfers. Ik heb geleerd hoe belangrijk het is om te luisteren naar ervaringen en beleid te maken dat mensen écht helpt,” zegt een student. Het besef dat zorg en beleid niet losstaan van emoties, ervaringen en menselijke waardigheid maakt deze module bijzonder waardevol voor studenten én voor de initiatieven waarmee ze samenwerken.
Samen sterker
De Samen Sterk-module laat zien wat er ontstaat als onderwijs, onderzoek en burgerinitiatieven elkaar vinden. Studenten leren luisteren, invoelen en samenwerken, terwijl organisaties profiteren van frisse inzichten. Zo versterken we elkaar – studenten, initiatieven én de samenleving – stap voor stap.
“Je hebt niet altijd grip op wat je overkomt, wél hoe je ermee omgaat”.
‘Deel je verhaal’ is een training waarin je leert om je ervaringsverhaal beter te delen. Burgerkracht Limburg geeft die training al geruime tijd. Mét succes, melden we bescheiden, maar ook met gepaste trots. Want verhalen delen werkt! Waarom dat zo is? Dát vertellen oud deelnemers Marcel Verhoeven en Helma Bannink van ‘Mens achter de Patiënt’ (MAP), Iris Dekkers (vrijwilliger bij Burgerkracht Limburg) en Eric Jansen (NAH ambassadeur en ervaringsdeskundige). Vier cursisten die op verschillende momenten instapten en deelnamen aan de trainingen. Samen kijken ze terug op hoe ze de training hebben ervaren en wat het hun gebracht heeft.
Een verhaal delen doet iets met een mens; maar wat is dat iets dan precies?
Dat íets is je persoonlijke verhaal over wat je is overkomen. Wat er gebeurd is en waardoor je leven een andere wending heeft genomen. Het vertelt hoe jíj nu in het leven staat en hoe je daar bent gekomen. Geen makkelijke verhalen. En hoewel de onderwerpen van verschillende aard zijn is er altijd dat gevoel van herkenning tussen mensen die ‘diep’ gegaan zijn.
Het tonen van kwetsbaarheid is de lijm van verbinding
De groepen komen vier keer bij elkaar. Opvallend is hoe snel de groepen zich ‘samenpakken’ en in korte tijd hecht worden. In het begin is het aftasten, je deelt toch iets heel persoonlijks. Gaandeweg stellen mensen zich open. Door een van de gespreksleiders wordt bewust het spits afgebeten doordat zij bij de eerste bijeenkomst haar eigen verhaal deelt. Helma: “Het draagt bij aan het gevoel van vertrouwen en veiligheid. Het betekent dat je een van ‘ons’ bent en maakt dat je jezelf bloot durft te geven. Dat doét er toe. Ik ben weer zelfverzekerd geworden, een gevoel dat ik door mijn aandoening een tijdje kwijt was. Als je van je verhaal geen drama maakt, maar het gewoon op tafel legt, is het voor de toehoorder ook beter te behapstukken.
Marcel: “Je aandoening is niet van belang, maar slechts de aanleiding dat je daar bent. Niks is raar. Alles mag er zijn, het is wat het is, zonder oordeel. Je hoeft niets uit te leggen of te verdedigen. De onderlinge acceptatie is duidelijk voelbaar.
De training en waar je achter komt
Tijdens de training wordt geoefend met het vertellen van de verhalen die de deelnemers zelf aandragen. De structuur en de opbouw van een verhaal komen aan de orde. De deelnemers worden uitgedaagd om binnen een bepaalde tijd en voor verschillende groepen te spreken. Iedereen zoekt naar een manier die voor hem of haar het beste past. Dat gaat in het begin vaak alle kanten op. De feedback die zowel de cursisten als de trainers geven is verhelderend. Je leert vanuit verschillende perspectieven kijken: “doe jij dat zo? Daar had ik zelf nog nooit aan gedacht!” Mensen pakken onverwacht door op een manier die ze misschien zelf niet direct hadden bedacht. Soms komen ze er tijdens de training achter dat de manier waarop ze het doen al prima past, of komen er juist achter dat ze het verhaal helemaal niet wíllen delen.
Groepservaring en opbouw
Tijdens de training blijf je ‘schaven’ aan je verhaal. De een had daar liever nog wat meer tijd, de ander vindt het juist genoeg. Tussen de tweede en derde week van de cursus zit een extra week tijd om thuis aan het verhaal te werken en de boel te laten bezinken. De opgedane ervaringen uit de verschillende groepen zijn – positief. De lesklapper met opdrachten wordt door de deelnemers als een goed hulpmiddel en duidelijk naslagwerk ervaren.
Er wordt geopperd om na een paar maanden een terugkomdag te organiseren – vooral als je de gelegenheid hebt gehad om het geleerde in de praktijk te brengen. Dat wordt deels ondervangen door met het organiseren van ‘Deel je Verhaal’ avonden voorafgegaan door inloopmomenten.
Gaandeweg leer je; het is wonderbaarlijk én ontroerend wat er allemaal gebeurt
Eric: “van buitenaf kun je te maken krijgen met onbegrip want wat je hebt is niet altijd zichtbaar. Toch is er meer ‘ruimte’ dan je denkt. Je mag ook zelf de vrijheid nemen om dingen aan te geven. Dat doe je misschien niet zo gauw maar het gebruiken van humor en durven te relativeren maken het minder zwaar en dan kun je verder.”
Iris: “Ik durf nu gewoon te zeggen dat ik de draad kwijt ben. Dat is immers wat mijn aandoening gewoon doet. Het gaat er niet om hoe je een verhaal ‘perfect’ vertelt maar dat je weet te ráken met je verhaal. Dat is wat ík geleerd heb. Oefenen, oefenen en vooral bij jezelf blijven, voélen wat je stijl is.
Verder is het verrassend hoe je tijdens de cursus regelmatig op het verkeerde been wordt gezet. Er zijn echt ‘top-twists’ waardoor je soms iets heel anders moet doen dan waar je je op had voorbereid. Dat is spannend maar juist daardoor leer je flexibel te zijn. Je verhaal komt krachtig over wanneer je in het moment durft te ‘spelen ’en ingaat op wat op dat moment goed voelt en je niet strak vasthoudt aan wat je van plan was.”
Wat de deelnemers nog meegeven
De laagdrempeligheid van de training is heel fijn maar je mag ook iets verwachten van de cursisten, zoals serieus het huiswerk maken!
En verder…vooral doorgaan met de cursus zoals die is en de warmte en de openheid die jullie bieden koesteren. De algemene tendens is van het verhaal: “ik heb er heel veel van geleerd.” Dáár doen we het voor!
In Memoriam Joyce Kleij
Joyce was een gewaardeerde collega en vooral een geliefd mens.
Bij Burgerkracht Limburg voelde zij zich thuis.
Ze wist dat ze hier écht iets voor anderen kon betekenen en dat deed ze ook.
Ze vervulde meerder rollen met enthousiasme en de training ‘Deel je verhaal’ was haar grote trots. ze noemde het vaak haar ‘kindje’. Met recht, want deze training kwam recht uit haar hart en raakte veel mensen.
Met haar open blik, warme houding, glimlach en zachte stem gaf ze mensen een veilige plek. Daardoor durfden zij hun verhaal te delen en gingen ze hun eigen ervaring in een ander licht zien. Ze liet zien hoe waardevol het is om écht naar elkaar te luisteren en elkaar te zien.
Dat bracht mensen dichter bij zichzelf én bij elkaar.
Joyce, heeft een blijvende indruk achtergelaten.
We missen je meer dan woorden kunnen zeggen, maar we zijn dankbaar voor alles wat je ons hebt gegeven.
Jouw woorden ‘Je bent niet alleen’ en ‘Durf te vragen’ blijven ons bij.
Het MamaCafé
In een tijd waarin bijna alles digitaal wordt, is de behoefte aan écht contact groter dan ooit. Dát biedt het MamaCafé. Kennis, steun, maar vooral verbinding is waar het bij het MamaCafé in Roermond om draait. Wat begon met een paar kopjes thee en een koekje in een speeltuin, groeide uit tot een bijzondere ontmoetingsplek voor ouders in Roermond en omstreken. Opgezet door een vrouw met een missie, iemand die uit eigen ervaring weet hoe het is om in de “tropenjaren” te zitten – met slapeloze nachten, zorgen om je kind, en het gevoel dat het allemaal op jouw schouders terecht komt. “Ik heb drie huilbaby’s gehad. Mijn jongste twee zijn zelfs in het ziekenhuis opgenomen. Op het moment dat je denkt: nu komt er lucht, nu gaat de jongste bijna naar school… kwam ik zelf in een heftige burn-out terecht. Alles wat ik had vastgehouden, kwam eruit.” De zorgen om je zieke kind/kinderen, de coronatijd thuis met drie en proberen te voldoen aan het perfecte plaatje om ‘alle ballen in de lucht houden’. Ze praat er open over. Eerlijk. Zonder opsmuk. En precies dát maakt haar zo geloofwaardig. Ze weet hoe het is als je moeder wordt en niemand vraagt echt hoe het met jou gaat. Dat je op Instagram alleen maar perfecte plaatjes ziet. Dat je soms schreeuwt om hulp, maar niemand het hoort.
Hoe het begon
Als jonge moeder verhuisde Gertrud vanuit de Randstad terug naar Limburg: “Ik had geen netwerk meer en zat alleen met kleine kinderen thuis tussen vier muren. Aan den lijve heb ik toen ervaren hoe eenzaam en zwaar die eerste jaren kunnen zijn. Het is niet automatisch zo dat ouders na de geboorte van hun baby terecht komen in een roze wolk; het kan ook een grijze of zelfs zwarte wolk zijn. Ik ontdekte het toenmalige MamaCafé in Roermond (destijds nog gericht op borstvoeding). Toen de oprichtster ermee stopte, twijfelde ik geen moment en maakte een doorstart in2020. Maar wél op mijn manier. Ik vroeg om volledige vrijheid – en die kreeg ik.
Toen heb ik alles opnieuw opgebouwd, met enkel een Facebookgroep en de naam als uitgangspunt. Met mijn achtergrond als Sociaal Pedagoog in zware jeugdhulpverlening, vrouwenopvang en begeleiding van ‘multi-problem gezinnen’, wist ik hoe waardevol het is om er niet alleen voor te staan. Mijn hart ligt bij gezinnen. Vanuit mijn werk weet ik hoe belangrijk het is om preventief te werken: ouders ondersteunen, zodat kinderen veilig en gezond kunnen opgroeien. Want de kinderen van nu zijn de volwassenen van straks.
Waar we nu staan
Inmiddels zijn we vijf-en-een-half jaar verder en is het MamaCafé Roermond uitgegroeid tot een
bloeiende community en telt de Facebookpagina meer dan 800 volgers. Ook via Instagram groeit onze community. Het begon als een klein koffiemoment (de oprichtster betaalt de koffie en thee soms zelf -niet omdat ze het kan missen, maar omdat ze gelooft dat een koffiemoment er echt bij hoort). Elke derde woensdag van de maand komen ouders samen op een plek waar niks moet, maar alles mag. In de winter zitten we in de stadsbibliotheek en zomers buiten in speeltuin de Kitskensberg. Je hoeft je niet aan te melden, er is geen drempel. Soms zijn er vijf ouders, soms dertig. Maar altijd is er ruimte voor verbinding, een luisterend oor.
Elke maand organiseren we bijeenkomsten – om de maand met een gastspreker over thema’s rondom kinderen van 0 tot 4 jaar, van draagdoekconsulent tot voedingscoaches. Er wordt peuterdans gegeven, een slaapcoach geeft advies, peutergym, kinder-EHBO en muziek op schoot. Alles draait om ontmoeting en uitwisseling. En bovenal: alles is op vrijwillige basis. In de zomervakantie maken we er een picknick van, waar ook oud-bezoekers op afkomen. Wat het MamaCafé bijzonder maakt? Het is volledig vrijwillig opgezet en uitgevoerd. Ik doe dit zonder subsidie of vaste ondersteuning. Toch organiseer ik kledingbeurzen, wandelingen, mama-dates, en zelfs een carnavalsoptocht. We hebben een appgroep met ruim 90 moeders waar alles gedeeld wordt: vragen, ervaringen, spullen, steun. Ouders helpen elkaar. En dat is precies waar het om draait.
“Als je eenmaal bij het MamaCafé bent geweest, hoef je nooit meer alleen te zijn”
In een wereld waar alles sneller lijkt te gaan, waar ouders soms het niet meer weten, is er één plek waar je gewoon even mag zijn. Waar je welkom bent zoals je bent met wallen onder je ogen, metvragen in je hoofd, of gewoon met je kindje op schoot. Die plek is het MamaCafé. De kracht zit in de herkenning. Iemand zegt: “Mijn kindje heeft uitslag.” Drie moeders reageren meteen geruststellend: “Oh, dat is gewoon de zesde ziekte. Gaat vanzelf over.” Dat soort gesprekken halen spanning weg. Je voelt: ik ben niet alleen.
Mijn droom?
Dat ik dit werk mag blijven doen, liefst beroepsmatig. Dat er ruimte komt – in beleid én financiering –om preventieve, verbindende initiatieven als die van mij verder te laten groeien. Want als je een ouder ondersteunt, geef je een kind de kans om veilig en gezond op te groeien. Daar begint alles mee. Vooralsnog regel ik alles zelf – van de planning en communicatie tot het contact met locaties. Gelukkig krijg ik bij grotere evenementen, zoals de kledingbeurs, hulp van andere moeders in de opzet en uitvoering. Ik vind het belangrijk om ook anderen te stimuleren om initiatief te nemen. Als iemand een goed idee heeft, zoals de kledingbeurs – help ik graag om dat via het MamaCafé te realiseren.
De kracht van een burgerinitiatief
Ondanks het succes draait alles nog steeds op vrijwillige inzet. Subsidie is er niet, maar wél veel betrokkenheid. Gertrud heeft aanvragen gedaan, echter zonder resultaat, maar ze laat zich niet ontmoedigen. Ze meldde zich aan voor EmPOWER jouw initiatief en won zelfs de tweede prijs – een geldprijs van €500 die ze zorgvuldig wil inzetten: voor flyers, kerstcadeautjes voor de kindjes, of een attentie voor de vrijwilligers. “Je kunt zoveel doen met weinig middelen – als je het maar met je hart doet. Toch begint het na vijfeneenhalf jaar weleens te wringen. Gelukkig dragen ouders soms vrijwillig bij, en werken we samen met lokale partijen zoals de bibliotheek, de Groene Transformator en Sportservice Roermond. Maar structurele steun zou enorm helpen daarom deed ik ook mee aan EmPOWER jouw Initiatief.
Dromen over de toekomst
“Het mooiste aan het MamaCafé? De relaties die ontstaan. Ouders die elkaar voor het eerst spreken,
en jaren later nog steeds contact hebben. Moeders die elkaar ontmoeten tijdens een wandeling in coronatijd en vriendinnen worden. Een vader uit Canada die langskomt met zijn gezin en geraakt wordt door het concept. Ik had laatst een moeder die zei: ‘Ik heb lang getwijfeld, maar ik ben er toch’.
Toen heb ik haar meteen gecomplimenteerd. Want als je die drempel over durft, heb je de grootste stap al gezet.” Dromen zijn er. Het Café floreert. Maar het blijft allemaal draaien op één persoon, met de hulp van vrijwilligers en een partner die achter me staat. “Mijn wens? Dat iemand zegt: ‘Wat jij doet is zó waardevol, wij willen dat je dit groter maakt.’ Dat een organisatie of gemeente zegt: ‘Kom voor ons werken. Of laat ons jou inhuren als zzp’er.’ Want ik weet: dit werkt en het bewijs is er. Ouders hebben dit nodig. Dat weet ik niet alleen uit ervaring, maar ik zie elke maand opnieuw wat er gebeurt als je mensen samenbrengt. Als je de ruimte geeft om écht te praten. Als je laat zien dat hetouderschap niet altijd licht is, maar dat je er niet alleen in hoeft te staan.
Eén boodschap blijft hangen:
“Als je eenmaal bij het MamaCafé bent geweest, hoef je nooit meer alleen te zijn.” Geen slogan. Gewoon de waarheid!
Marjan en Bettine ontmoetten elkaar bij het burgerinitiatief ‘Bindkracht’ in Venlo, waar ze zijn aangesloten bij de werkgroep ‘Kind in Armoede’. Marjan is ondersteuner van een fractie op het gebied van o.a. armoede en Bettine is werkzaam bij de Vonk (www.de-vonk.nu). In Venlo leven veel kinderen in armoede. De werkgroep ‘Kind in Armoede’ heeft als doel om armoede bij kinderen te voorkomen, deze te herkennen, visie te ontwikkelen en voorzieningen toegankelijker te maken.
Weinig geld hebben betekent méér zorgen
Met ervaringsdeskundigen, organisaties, vrijwilligers en de gemeente gaat ‘Bindkracht’ de strijd tegen armoede aan. Het bundelen van krachten is geen eenvoudige opgave. Weten dat armoede bestaat is iets anders dan het zelf ervaren. Ervaringsdeskundigen zijn soms boos en strijdbaar, terwijl beleidsmakers denken vanuit het benutten van mogelijkheden die voorzieningen bieden. Dat zijn heel verschillende manieren van denken. Vanuit Bindkracht werken we aan meer begrip tussen ervaringskenners en beleidsmakers. Samenwerking betekent dan ook soms harde noten kraken. Veel van wat gedeeld wordt, is negatief, maar de focus van de groep ligt op positieve verandering.
Uit persoonlijke ervaring weten Bettine en Marjan hoe geldzorgen voelen en wat het betekent om moeilijk rond te komen. Dat versterkt hun motivatie om zich in te zetten voor de bestrijding ervan. Marjan: “Ik moest na een scheiding in de jaren 80 jarenlang met twee kinderen rondkomen van een bijstandsuitkering. Ondanks een goede opleiding als onderwijzeres en docent Engels, kon ik niet aan de slag. Er was niet voldoende kinderopvang in die tijd. Mannen kregen voorrang in het onderwijs ook bij benoemingen. Het hebben van kinderen werd bij een vrouw door schoolbesturen als grote belemmering gezien.” Nu denk ik weleens: ‘Hoe heb ik het allemaal voor elkaar gekregen? Toen, en ook nu nog zijn het vaak de alleenstaande moeders die in de armoede terecht komen. Dat hoor ik op scholen waar ik als regiocoördinator kom van het Jeugdeducatiefonds.’
Tegen alleenstaande moeders in armoede zou ik willen zeggen: “Armoede hoeft niet je hele leven te duren”. Toen de kinderen groter waren, ging ik werken bij de vakbond en werd maatschappelijk en politiek actief. Dat ben ik nog steeds. Ik werd raadslid en kreeg een lieve steunende partner.
Met trillende handen bij de kassa: frikandellen of broccoli?
Bettine: “Als maatschappelijk werker zie ik de impact van armoede op het welzijn van ouders en kinderen. Het is daarom belangrijk dat zij zelf kunnen meepraten over armoede en hoe deze beter kan worden aangepakt. Zij weten immers hoe het is om niet te kunnen sporten en dat een gezonde voedingskeuze ook een kwestie van geldgebrek is. Dagelijks de frituur aanzetten is vaak de goedkoopste manier om een maaltijd te bereiden. Een hele doos frikandellen is bij wijze van spreken net zo duur als een broccoli. De stijgende prijzen van boodschappen maken de situatie er niet beter op.”
Bettine: “Ik heb vroeger ervaren hoe het is om met trillende handen bij de kassa te staan. Kan ik alles wel betalen? In je hoofd bedenk je alvast welke producten je teruglegt als je niet genoeg geld hebt. Als je dat nooit hebt meegemaakt, kun je je daar geen voorstelling van maken.”
Durf te praten over geldkeuzes
Jongeren worden tegenwoordig sterk beïnvloed door sociale media. Continu krijgen ze te zien en te horen wat ze zouden moeten hebben en waar ze aan mee moeten doen. Wat werkelijk waardevol is, is voor hen soms moeilijk te onderscheiden. Hierover praten is essentieel, maar gebeurt nauwelijks. Niet met ouders, niet op scholen en ook niet door jongeren onderling. Dit leidt tot een vertekend beeld van wat nu echt belangrijk is en bemoeilijkt het maken van verstandige keuzes. Kies je voor die fat bike of voor een sportabonnement? Er bestaan veel misverstanden over armoede en geldzorgen. Het vermijden van gesprekken hierover is begrijpelijk maar lost het probleem niet op.
Deel je verhaal
Marjan volgde bij Burgerkracht Limburg de training ‘Deel je verhaal’. Goed leren luisteren en je eigen ervaringen delen helpt bij gesprekken en educatieve spellen. Iemand vertelde bijvoorbeeld: “Ik had vroeger niet veel, maar was tóch gelukkig.” Dergelijke verhalen zijn belangrijk in gesprekken met jongeren. Of iemand zegt: “Ik was ook blij met een jurkje dat niet supernieuw was.” Het hoeft niet allemaal luxe en trendy te zijn. Je bent niets minder waard als je weinig te besteden hebt. Door deze ervaringen te delen, creëren we bewustwording. De werkgroep wil het thema armoede nog beter bespreekbaar maken en werkt aan theatervormen om dit onder de aandacht te brengen.
Het ‘Arm en Rijk spel’
We benaderen basis- en mbo-scholen om het spel ‘Arm en Rijk’ te spelen, een ganzenbordspel voor kinderen tot 14 jaar. De hele klas doet mee. Kinderen worden willekeurig ingedeeld in groepjes van zes en krijgen de rol van ‘arm’ of ‘rijk’. Elke groep wordt begeleid door een goed opgeleide vrijwilliger die de aandachtspunten en verwachtingen kent. Opvallend is dat kinderen in het spel vaak solidair met elkaar zijn.
Na afloop is het belangrijk dat de leerkracht met de kinderen bespreekt hoe ze zich voelen bij bepaalde situaties. Tijdens één van de sessies kwam de wethouder op bezoek. Hij deelde eigen ervaringen uit zijn kindertijd, waarin het ook niet altijd makkelijk was. Zo beseffen kinderen dat armoede iedereen kan overkomen, maar dat verandering mogelijk is. Zo’n gesprek is waardevol. Het doel is om solidariteit te vergroten. We ontvangen positieve feedback. Kinderen tonen meer begrip voor wat geldzorgen met iemand doen. Die impact is ook zichtbaar bij leerkrachten, stagiaires en leidinggevenden. Dit bewustzijn was er vroeger veel minder. Scholen zien wel dat het spel werkt, maar het blijft een uitdaging om het onder de aandacht te brengen en scholen te motiveren om het te gebruiken. Armoede en geldzorgen zouden eigenlijk geïntegreerd moeten worden binnen het curriculum. Niet als een los onderwerp, maar verweven in vakken zoals rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde. Burgerschap gaat immers over voorbereiding op zelfstandigheid. Op mbo-scholen blijkt dat 12% van de jongeren een consumptief krediet (het kopen van spullen op afbetaling) heeft. Dit benadrukt het belang van educatie en bewustwording over geldzaken op jonge leeftijd, zodat jongeren hier niet pas op hun 18e mee geconfronteerd worden.
Hoopvolle ontwikkelingen
In Venlo zijn inmiddels brugfunctionarissen aangesteld die ouders helpen om gebruik te maken van voorzieningen, zodat kinderen meer kansen krijgen. Idealiter speelt school een actieve rol in het signaleren van armoede. Dit vraagt om betrokkenheid van brugfunctionarissen, teamleiders en leerkrachten. Aandacht voor geldzaken, geldkeuzes en solidariteit is cruciaal. De norm zou moeten zijn dat er gewoon gesproken wordt, zonder schaamte of stigma. Vroeger kon er op die manier ook niet gesproken worden over ouders die gescheiden waren. Daar rustte een taboe op. Gelukkig is dat vandaag de dag helemaal anders. Er kan nu normaal over gesproken worden. Het zou mooi zijn als dat met praten over armoede ook lukt. De uitdaging is om daarmee aan de slag te gaan.
In het eerste blok van het academische jaar krijgen studenten van de opleiding Gezondheidswetenschappen (specialisatie Beleid, Management en Evaluatie van Zorg) de opdracht om een project te doen voor een patiënt- of burgerinitiatief. Door onderzoek te doen voor een bepaald initiatief wordt er meer gedacht vanuit de mens en ontstaat er persoonlijk contact.
Liza en Oliver gingen met hun groepje aan de slag met de organisatie Ypsilon. Ypsilon zet zich in voor de ondersteuning van familieleden en naasten van mensen met een psychotische kwetsbaarheid en wilde meer inzicht krijgen in hoe zij de samenwerking met hulpverleners ervaart. De onderzoeksvraag die de studenten meekregen was: Hoe ervaart u als naaste van iemand met een psychotische kwetsbaarheid de samenwerking met de hulpverlening?
Meer inzicht krijgen
“Dit onderzoek was voor Ypsilon van belang, omdat familieleden en naasten een grote rol kunnen spelen in het zorgtraject. Soms worden zij actief betrokken bij de behandeling, maar het komt ook voor dat ze nauwelijks worden meegenomen in het proces. Ypsilon wilde een beter beeld krijgen van hoe dit in de praktijk verloopt, zodat zij zich nog beter kunnen inzetten voor verbeteringen in de zorg en het beleid rondom psychische aandoeningen.Ypsilon stelde een groep respondenten beschikbaar die wij mochten interviewen. De meeste interviews vonden plaats via Zoom, wat verrassend goed verliep, ondanks de soms hogere leeftijd van de geïnterviewden. De respondenten waren erg open over hun ervaringen en beantwoordden al onze vragen eerlijk en uitgebreid. De vragen hebben we vooraf besproken met onze begeleider, Mea, die ons waardevolle feedback gaf waarmee we de gesprekken verder konden verfijnen.”
Met een beetje hulp
Het proces van het onderzoek was erg leerzaam. Ons contact met de opdrachtgever verliep soepel. We hielden hen via een WhatsApp-groep op de hoogte van onze voortgang en konden bij vragen altijd terecht bij onze contactpersoon. Ze was erg betrokken en stelde zelfs voor om een oefeninterview te houden, wat voor ons heel waardevol bleek. Tijdens dit oefeninterview beseften we pas echt hoe zwaar sommige onderwerpen konden zijn. Het was fijn om dit van tevoren te ervaren, zodat we beter voorbereid waren op de daadwerkelijke interviews.
Voor de werving van respondenten kregen we hulp van onze contactpersoon, die een selectie maakte van mogelijke deelnemers. Zij verstuurde onze flyer en geïnteresseerden konden zich bij ons melden. Dit proces verliep grotendeels goed, al was het soms lastig dat niet iedereen snel reageerde. Hierdoor moesten we uiteindelijk enkele mensen afwijzen omdat we al verder waren in ons onderzoek.
Persoonlijke verhalen en gevoelige onderwerpen
Wat ons het meest is bijgebleven van dit onderzoek, is de openheid en de persoonlijke verhalen van de naasten die we hebben gesproken. Vooral bij gevoelige onderwerpen merk je dat een interview veel meer diepgang biedt dan een vragenlijst. Eén van de respondenten hebben we zelfs thuis bezocht, wat zorgde voor een bijzondere en openhartige uitwisseling. Dit bevestigde voor ons hoe waardevol kwalitatief onderzoek is om echt de ervaringen van mensen te begrijpen en niet alleen oppervlakkige informatie te verzamelen.
Daarnaast viel het ons op dat naasten, ondanks hun grote betrokkenheid, vaak niet of nauwelijks worden meegenomen in het zorgtraject. De mensen die het meeste kennis hebben over de patiënt, worden vaak niet gehoord en moeten zelf actief achter informatie en afspraken aan. Ook blijkt dat de regelgeving rondom de behandeling van psychotische patiënten niet altijd toereikend is. Er zijn veel instanties die hulp willen bieden, maar als er één factor niet klopt – bijvoorbeeld als een patiënt onder invloed is van alcohol – kunnen zij vaak geen passende zorg bieden. Dit maakt de situatie voor zowel patiënten als hun naasten extra ingewikkeld.
Waardevolle lessen
Als toekomstige professionals nemen wij veel waardevolle lessen uit dit onderzoek mee. Het belang van open gesprekken, waarin mensen zelf hun verhaal kunnen vertellen, is ons nog duidelijker geworden. In de zorg en hulpverlening worden naasten soms te weinig betrokken of gehoord, en we beseffen nu hoe essentieel het is om hun ervaringen serieus te nemen. Daarnaast hebben we geleerd hoe belangrijk het is om actief te vragen naar ervaringen, omdat mensen niet altijd uit zichzelf delen wat hen bezighoudt. Dit inzicht zal ons in onze verdere professionele carrière zeker van pas komen. Ook hebben wij een beter begrip gekregen van de tekortkomingen in het huidige zorgsysteem en hopen we in de toekomst bij te kunnen dragen aan verbeteringen.”
Ypsilon is een vereniging die zich inzet voor familieleden en naasten van mensen met een psychische kwetsbaarheid, zoals psychotische aandoeningen. De organisatie biedt ondersteuning, informatie en belangenbehartiging om ervoor te zorgen dat naasten beter betrokken worden bij de zorg en behandeling van hun dierbaren.
Diabetes+ is een vrijwilligersorganisatie voor de verbetering van de kwaliteit van leven voor mensen met type 1 diabetes. Sinds de oprichting in 2020 is Diabetes+ zich een vangnet voor zowel patiënten als hun omgeving, waaronder partners, ouders, vrienden, behandelaars, en werkgevers.
Vanuit intrinsieke motovatie is Diabetes+ opgezet door Loes, Cas en Wietske. Ze misten alle 3 een soort vangnet rondom type 1 diabetes. Een plek waar je terecht kan als je het even niet meer weet. Waar je educatie ophaalt en je leert omgaan met dalen. Ze merkten dat je heel erg veel hulp kunt krijgen van ervaringsdeskundigen en dus van andere mensen met type 1 diabetes. Loes, die op haar twintigste de diagnose kreeg, vertelt: “Het duurde tien jaar voordat ik voor het eerst in contact kwam met iemand anders die ook diabetes had. Toen voelde ik me niet meer alleen.” Dit besef leidde tot de oprichting van een plek waar lotgenoten elkaar kunnen ontmoeten, educatie kunnen ontvangen en leren omgaan met de dagelijkse uitdagingen van deze chronische aandoening.
De kracht van Diabetes+ ligt in de ervaringsdeskundigheid. Mensen met type 1 diabetes staan dagelijks voor maar liefst 180 beslismomenten, van insulinedosering tot aanpassingen bij sport of andere activiteiten. “Ik zie mijn zorgverlener maar één uur per jaar, de rest van de tijd doe ik het zelf. In nieuwe levensfases, zoals bij een zwangerschap of het beoefenen van een nieuwe sport, heb ik meer aan mensen die hetzelfde hebben meegemaakt dan aan mijn zorgverlener. Dat is de kracht van ervaringsdeskundigheid.” Vertelt Loes.
Diabetes+ is landelijk actief en bereikt zelfs mensen in België. Wat begon met drie oprichters, is inmiddels uitgegroeid tot een netwerk van honderd vrijwilligers die helpen bij het beheer van de website, sociale media, en het organiseren van evenementen. Cas richt zich op marketing en financiën, Wietske op educatie en social media vanuit haar 25 jaar ervaring in de diabeteszorg, en Loes coördineert de evenementen en fondsenwerving.
De deelname aan de adoptie module was een bewuste keuze voor Diabetes+. “We werden benaderd door Burgerkracht Limburg, die vond dat onze deelname waardevol zou zijn,” vertelt Loes. Voor Diabetes+ biedt deze module een kans om de waarde van hun peer-to-peer educatie wetenschappelijk te laten onderzoeken. Dit kan hen niet alleen steun bieden richting zorgverleners, maar ook richting beleidsmakers en subsidieverstrekkers. “Het zou ons helpen om te laten zien dat het niet alleen ons gevoel is, maar dat er daadwerkelijk onderzoek naar gedaan is en dat het waardevol is.”
Daarnaast ziet Diabetes+ de adoptie module als een kans om toekomstige zorgprofessionals te laten kennismaken met de kracht van ervaringsdeskundigheid. “Ik denk dat het belangrijk is om de toekomstige beroepskrachten in aanraking te laten komen met de mensen voor wie ze het doen. Je kunt niet alles uit een boek leren; dat leer je pas echt als je met mensen in gesprek gaat en de praktijk ervaart.”
Diabetes+ hoopt dat hun deelname bijdraagt aan het vergroten van het bewustzijn rondom type 1 diabetes en dat het studenten inspireert om ook in hun toekomstige werk te kiezen voor iets waar ze vol voor willen gaan. Zoals Loes zegt: “We zouden hier nooit mee kunnen stoppen, want diabetes stopt ook niet met ons.”
Bekijk hier de website van Diabetes+
In Maastricht bevindt zich het COC Limburg, een organisatie die zich met hart en ziel inzet voor de queer* community. Zo organiseren zij allerlei bijeenkomsten en informatieavonden om de community te ondersteunen. Het COC Limburg is niet zomaar een organisatie; het is een plek waar mensen samenkomen, steun vinden en zich thuis voelen. Vrijwilligers zijn het kloppende hart van deze organisatie, die elke dag werkt aan het uitbreiden en verbeteren van haar diensten.
Een van de initiatieven van COC Limburg is ‘Queer Care‘, een hulploket speciaal voor (queer)jongeren. Bij Queer Care zitten geleerden met een achtergrond in psychologie. Het zijn dus echt professionals waar je je vragen aan stelt. Tijdens de coronaperiode merkten we dat veel jongeren met vragen zaten, maar door de beperkingen konden ze niet makkelijk bij elkaar komen voor steun. Om hierop in te spelen, werd een onlinechatfunctie opgezet waar jongeren op bepaalde tijden terecht konden met vragen over onderwerpen als genderidentiteit en seksualiteit. Deze onlineservice groeide al snel uit tot een fysieke plek in Maastricht waar jongeren op specifieke dagen en tijden binnen kunnen lopen met hun vragen.
Het is geweldig om te zien hoe Queer Care is uitgegroeid tot een belangrijk steunpunt voor jongeren. In het begin zagen we slechts een enkeling binnenkomen, maar inmiddels zien we dat steeds meer jongeren de weg naar ons weten te vinden. Dit gaat wel met up en downs. Soms komen er 5 jongeren op een dag, terwijl er weer niemand komt op een andere dag.
De manier waarop mensen bij Queer Care terechtkomen, varieert. Soms weten hulpverleners het nummer van het COC Limburg te vinden en bellen ze om hulp te vragen. Andere keren sturen mensen zelf een e-mail of komen ze persoonlijk langs met hun vragen. De organisatie heeft ook goed contact met het AZC, wat helpt om asielzoekers die behoefte hebben aan steun door te verwijzen naar Queer Care. ‘We hopen in de toekomst nog meer samenwerkingen op te bouwen met maatschappelijke organisaties en huisartsen.’ Huisartsen kunnen niet alles weten, en dat is ook niet nodig. We willen de bekendheid bij huisartsen én maatschappelijke organisaties omtrent Queer Care vergroten. Zodat maatschappelijke organisaties en huisartsen weten dat jongeren met hun vragen bij ons terecht kunnen.
Het COC Limburg doet mee aan de adoptie-module van Burgerkracht om toekomstige beroepskrachten en studenten bewuster te maken van wat er speelt binnen de queer community. We willen dat toekomstige werknemers begrijpen wat er binnen de queer community speelt, zodat ze deze kennis in hun werkveld kunnen toepassen. Het is belangrijk dat er geen onwetendheid meer is.
Het doel van de deelname aan de adoptie-module is duidelijk: meer mensen bereiken en de zorg bieden die nodig is. We hopen dat Queer Care een overbruggingspunt wordt tussen de wachtlijsten en professionele hulp. Er zijn lange wachtlijsten voor mensen die in transitie willen gaan, en in de tussentijd kunnen ze bij ons terecht om hun hart te luchten en vragen te stellen.
Het COC Limburg ziet een toekomst waarin ze nog meer mensen kunnen helpen en de drempels kunnen verlagen voor degenen die hulp nodig hebben. We weten dat er echt wel meer mensen zijn die behoefte hebben aan Queer Care. Maar hoe kunnen we de drempel verlagen om die mensen toch bij ons te krijgen?
Het is een kwetsbaar onderwerp, en er zijn veel verschillende meningen over. Maar als studenten hiermee aan de slag gaan, toont dat respect en betrokkenheid bij een kwetsbare groep.
Het COC Limburg blijft zich inzetten voor de queer community, met als doel een veilige haven te bieden voor iedereen die dat nodig heeft.
*queer = een overkoepelende term voor mensen die homo, lesbisch, biseksueel, transgender, non-binair, intersekse en/of aseksueel zijn. Het is een term die mensen gebruiken om aan te geven dat ze niet heteroseksueel zijn en/of zich niet identificeren met de traditionele genderrollen.
Mensen met neurologische en geriatrische aandoeningen ervaren vaak problemen op het gebied van bewegen. Een fysiotherapeut kan daar dan in helpen. Het is echter niet vanzelfsprekend dat een ‘standaard’ behandeling voor iedereen hetzelfde effect heeft. Informatie van bepaalde oefeningen kan anders verwerkt worden door verschillende personen. Het TREAT-project van Zuyd Hogeschool (beTeR bEwegen door therapie op mAaT) heeft als doel fysiotherapeuten te helpen behandelingen af te stemmen op de individuele persoon.
In de afgelopen jaren zijn er in dit onderzoeksproject tools ontwikkeld om fysiotherapeuten te helpen bewegingen op een meer onbewuste manier aan te leren. Door vragen te stellen zoals: ‘Wil je eens lopen alsof je door de sneeuw loopt?’, kunnen sommige patiënten makkelijker begrijpen hoe je een loopoefening op de juiste manier uitvoert. Deze manier van vragen werkt vaak beter dan de opdracht: ‘Til je been op, rol je voet af en zet een stap’.
Naast onderzoekers en fysiotherapeuten hebben er ook participanten van Burgerkracht Limburg hierin meegedacht. Een van de participanten is Servé.
“Wat ik zo ontzettend mooi vind, is dat adviezen van mij als burger worden meegenomen in het onderzoek. Tijdens een oriënterend gesprek over het project heb ik gevraagd ‘Moeten we niet eens kijken vanuit de patiënt zelf?’ en heb deze vraag gedurende het hele proces meerdere keren gesteld. Dit was echt een geheugensteuntje voor de onderzoekers. Zij gaven ook aan dat het erg fijn is hier aan herinnerd te worden.”
Daarnaast heeft Servé ook gesproken met patiënten zelf, in hun eigen omgeving. ‘Dat zorgt ervoor dat ze veel vrijer zijn in wat ze willen delen met je’ vertelt Servé. Gesprekken gingen dan over waarom ze therapie volgen en wat voor hen de meerwaarde van de therapie was. Het laat de persoonlijke beleving van patiënten zien. De reacties zijn voor iedereen anders en zijn samengevoegd in een video. Deze video is beschikbaar voor het onderwijs en bijscholing en kan aan studenten en fysiotherapeuten laten zien met het doel ‘zo kan het ook’. “Ik ben helemaal vrijgelaten in hoe ik deze gesprekken in ging. Daarnaast was er de nodige begeleiding voor het opnemen van de video’s.” Vertelt participant Servé. Victoria, een andere participant met niet aangeboren hersenletsel (NAH), heeft een andere concrete inbreng gehad in het project. Een van de ontwikkelde tools is een kaartenset waar oefeningen in staan die toegepast kunnen worden. Victoria gaf aan dat een blanco kaart hieraan toegevoegd moet worden. Want elk mens is anders. Een oefening kan in zo’n vorm aangepast worden dat deze niet meer rijmt met de bestaande kaarten. Op de blanco kaart kan dan een nieuwe oefening omschreven worden.
In dit onderzoekstraject laten we de meerwaarde van burgerparticipatie in een onderzoeksproject zien.
Wil je meer weten over het TREAT-project? Lees hier meer!
Het project “ TREAT” is genomineerd voor de RAAK-award (prijs voor het beste praktijkgericht onderzoek).
Wil jij ons steunen? Stem dan hier.
Meer weten over het project? Bezoek de website.