Mevrouw De Boer (78) woonde zelfstandig, maar door haar verslechterende mobiliteit werd het steeds moeilijker om haar familie te bezoeken en boodschappen te doen. Ze vroeg een Wmo-vervoersvoorziening aan bij de gemeente, zodat ze gebruik kon maken van aangepast vervoer. Tot haar verbazing werd haar aanvraag afgewezen, zonder dat ze door een arts was beoordeeld.
De gemeente vond haar situatie niet ernstig genoeg, terwijl ze door haar fysieke beperkingen nauwelijks nog zelfstandig de deur uit kon. Dit betekende dat haar sociale leven steeds verder werd beperkt, wat leidde tot gevoelens van eenzaamheid, depressie en afhankelijkheid van anderen.
Spreekuur:
Mevrouw De Boer kwam naar het spreekuur, waar samen met haar werd gekeken naar de afwijzing en mogelijke vervolgstappen. Onze spreekuurhouders hielpen haar met:
Resultaat:
Na het indienen van het bezwaar werd de aanvraag opnieuw beoordeeld, dit keer mét inbreng van haar medische gegevens. De gemeente gaf toe dat de eerste beoordeling onvolledig was geweest en kende haar alsnog de Wmo-vervoersvoorziening toe.
Hierdoor kon mevrouw De Boer haar familie weer bezoeken, zelfstandig boodschappen doen en deelnemen aan sociale activiteiten, wat haar kwaliteit van leven aanzienlijk verbeterde. Ze gaf aan dat ze zonder hulp van het spreekuur niet had geweten hoe ze bezwaar moest maken en waarschijnlijk de afwijzing had geaccepteerd, met alle gevolgen van dien.
Peter (48) heeft altijd in de bouw gewerkt, maar door een combinatie van laaggeletterdheid en concentratieproblemen vond hij het moeilijk om officiële brieven te begrijpen. Toen hij door een bedrijfsongeluk zijn werk kwijtraakte, ontving hij meerdere brieven van overheidsinstanties zoals het UWV, belastingdienst en de gemeente.
Omdat de brieven vol ingewikkelde taal en juridische termen stonden, wist Peter niet wat hij ermee moest doen. Hij voelde zich machteloos en schaamde zich om hulp te vragen. Uiteindelijk begon hij de post gewoon niet meer open te maken en stapelden de enveloppen zich op.
Zonder dat hij het besefte, miste hij belangrijke deadlines. Hij reageerde niet op een hercontrole van zijn uitkering, waardoor deze tijdelijk werd stopgezet. Ook had hij problemen met zijn toeslagen, wat zijn financiële situatie steeds moeilijker maakte.
Spreekuur:
Peter kwam bij het spreekuur terecht via een kennis. Daar hielpen we hem met:
Resultaat:
Met onze hulp wist Peter zijn uitkering weer te laten herstellen en kreeg hij weer de correcte uitbetaling van zijn toeslagen waar hij recht op had. Daarnaast voelde hij zich minder machteloos, omdat hij nu wist waar hij terecht kon voor hulp.
Peter gaf aan dat hij zonder het spreekuur waarschijnlijk nog steeds met een stapel ongeopende brieven zou zitten en mogelijk zelfs in de schulden was beland.
TW: Dit interview bevat onderwerpen zoals suïcidale gedachten, misbruik en depressie.
Lees dit alleen als je je hier emotioneel klaar voor voelt. Dat kan heftig zijn. Hulp nodig? Kijk op 113.nl. of op Centrum Seksueel Geweld
Katja is 27 en blikt terug op een periode waarin geldzorgen, mentale klachten en onveiligheid door elkaar liepen. Door haar vorige relatie kwam ze in financiële problemen terecht en leefde ze maanden zonder geld. “Ik heb het uiteindelijk moeten vertellen aan mensen om me heen,” zegt ze. “Dat was echt moeilijk.” Sommige mensen reageerden boos, maar hielpen haar daarna wel praktisch, bijvoorbeeld met eten en boodschappen.
“Maandenlang had ik letterlijk niks”
Katja vroeg nooit om geld, dat vond ze te spannend. Na een paar maanden kreeg ze haar financiële situatie weer op orde en voorkwam ze schulden. Maar mentaal bleef het zwaar. “Het voelde vaak alsof ik er alleen voor stond.” Naast geldzorgen speelt er ook trauma en suïcidaliteit. Ook voelt ze zich nog steeds onveilig door een eerdere verkrachting, waarbij de dader binnenkort vrijkomt. “Dat gevoel van onveiligheid blijft gewoon.”
“Ik vond het moeilijk om toe te geven dat het niet goed ging.”
Voor Katja was vooral het erkennen dat ze hulp nodig had een grote stap. “Ik had vaak het gevoel dat het niet erg genoeg was, of dat ik het zelf moest kunnen oplossen.” In die periode ging het meerdere keren mis en deed ze meerdere zelfmoordpogingen. Dat maakte gevoelens van falen en uitzichtloosheid sterker.
Uiteindelijk kreeg ze hulp via hulpverlening en buurtteams, inclusief opname voor haar veiligheid en medicatie. Online zocht ze vooral praktische informatie over geldzaken en op moeilijke momenten contact met 113. “Dan hoopte ik gewoon even rust te voelen.”
“Ik dacht dat ik alles alleen moest doen.”
Hoewel er mensen om haar heen waren, vond ze het lastig om echt open te zijn. Schaamte en schuldgevoel hielden haar tegen. “Pas toen mensen het zelf ontdekten, ging er iets veranderen.” Wat niet hielp, was verwijt. “Boos worden over mijn geldsituatie maakte het alleen maar zwaarder.” Wat wél hielp: iemand die zei dat ze het niet alleen hoefde te doen.
“Ik heb meer veerkracht dan ik dacht.”
Katja ziet nu dat ze sterker is dan ze toen voelde. Ze leerde hulp accepteren, ook als dat moeilijk was. Signalen waren er wel, zoals zich terugtrekken en niet naar buiten gaan, maar die werden niet altijd gezien.
Wat ze andere jongeren wil meegeven: “Wacht niet tot het niet meer gaat. Je hoeft het niet perfect uit te leggen om hulp te mogen krijgen.” Over mentale gezondheid en geldzorgen zegt ze: “Mensen denken vaak dat je het zelf veroorzaakt hebt. Maar soms zit je gewoon vast.”
Hulp nodig? Je hoeft het niet alleen te doen
Misschien herken je jezelf in (delen van) Katja’s verhaal. Of merk je dat het iets bij je losmaakt. Wat het ook is: je hoeft er niet alleen mee rond te blijven lopen. Hulp vragen mag.
TW: Dit interview bevat onderwerpen zoals suïcidale gedachten, depressie.
Lees dit alleen als je je hier emotioneel klaar voor voelt. Dat kan heftig zijn. Hulp nodig? Kijk op 113.nl.
Nisa is 26 jaar. Als ze terugkijkt op haar tienerjaren, beschrijft ze een periode waarin er veel speelde, maar waarin bijna niemand dat echt zag. Vooral de middelbareschooltijd was voor haar ingrijpend.
Thuis ging het vaak niet goed. Haar moeder had zelf mentale problemen en reageerde haar frustraties regelmatig op Nisa af. “Er werd veel geschreeuwd en ik voelde me vaak genegeerd.” Wat er thuis gebeurde, nam ze onbewust mee naar school. Toch liet ze daar weinig merken.
”Van buiten leek het alsof alles goed ging. Maar van binnen voelde ze zich vaak alleen.
“Ik deed juist alsof ik heel zelfverzekerd was,” vertelt ze. “Ik liet mensen lachen en probeerde altijd sterk over te komen.” Van buiten leek het alsof alles goed ging. Maar van binnen voelde ze zich vaak alleen.
Op haar veertiende kwam dat allemaal tot een dieptepunt. Ze deed een suïcidepoging, iets wat voor haar omgeving volledig onverwacht kwam. “Niemand had het zien aankomen, omdat ik het zo goed verborgen hield.”
Na die poging werd ze kort opgenomen in het ziekenhuis en werd therapie geadviseerd. Toch kwam die hulp er toen niet. Nisa had eerder negatieve ervaringen met hulpinstanties en wilde niet opnieuw in dat traject terechtkomen.
“Ik wilde vooral niet dat er werd ingegrepen,” zegt ze. Ze was bang dat praten over haar situatie gevolgen zou hebben, bijvoorbeeld dat ze uit huis geplaatst zou worden. Daardoor bleef ze alles zoveel mogelijk voor zichzelf houden.
“Ik praatte het goed. Mensen accepteerden dat gewoon.”
De periode daarna voelde vaak eenzaam. “Ik had vriendinnen, maar ik praatte er niet echt over.” Als mensen vroegen hoe het ging, zei ze meestal dat het beter ging. “Ik praatte het goed. Mensen accepteerden dat gewoon.”
Langzaam begon ze zich steeds meer terug te trekken. Ze huilde veel en zocht vaker de afzondering op. Vriendschappen verwaterden en ze voelde zich steeds meer alleen met haar gedachten. Wat het extra moeilijk maakte, was dat op school vooral gekeken werd naar haar prestaties. “De focus lag op mijn cijfers en op wat niet goed ging.” Gesprekken waren er wel, maar volgens haar ging het zelden over wat er écht speelde.
“De focus lag op mijn cijfers en op wat niet goed ging.”
Achteraf denkt Nisa dat sommige mensen misschien wel signalen zagen, maar niet goed wisten wat ze ermee moesten doen. “Mijn situatie was complex. Dat is ook lastig voor een docent.” Wat ze toen vooral had gemist, was ruimte. Niet per se gesprekken die moesten, maar plekken waar ze even kon blijven, kon praten of gewoon kon zijn zonder druk.
“Soms heb je eerst ruimte nodig om te ventileren voordat je weer kunt focussen op school.”
Later ontdekte ze ook hoe waardevol het kan zijn om met andere jongeren te praten. In haar omgeving hadden meerdere meiden moeilijke ervaringen meegemaakt, zoals huiselijk geweld of seksueel misbruik. Daar spraken ze onderling wel over. “Toch zochten we daar geen hulp voor,” zegt ze. Schaamte speelde een rol, maar ook het idee dat er toch niets mee gedaan zou worden. Tegenwoordig denkt ze dat ontmoetingsplekken voor jongeren juist heel belangrijk kunnen zijn. Plekken waar jongeren elkaar kunnen ontmoeten, activiteiten kunnen doen en ervaringen kunnen delen. “Niet meteen in een formele hulpverleningssituatie, maar gewoon samen.”
Na haar tienerjaren bleef Nisa lange tijd in een soort overlevingsstand leven. Ze ging door met haar leven, maar veel van wat ze had meegemaakt bleef onder de oppervlakte. Pas op haar 25e begon ze voor het eerst met therapie. “Het heeft heel lang geduurd voordat ik die stap zette,” vertelt ze. Maar die hulp maakte wel verschil. Ze kreeg meer inzicht in haar eigen emoties en leerde beter omgaan met stress en spanning.
“Ik kan mijn emoties nu beter reguleren. Vroeger raakte ik snel in paniek of werd ik boos. Nu voel ik meer stabiliteit.”
Ze ziet therapie niet als een snelle oplossing, maar wel als een belangrijke stap. “Je hoeft misschien niet volledig te ‘genezen’, maar je kunt wel leren hoe je beter met je leven omgaat.” Als Nisa terugkijkt, heeft ze één belangrijke boodschap voor jongeren die nu in een moeilijke situatie zitten. “Schaam je niet voor wat je hebt meegemaakt.”
Volgens haar begint verandering vaak bij zelfcompassie. Het besef dat je het verdient om een goed leven te hebben en rust te ervaren. “Veel jongeren leren die liefde voor zichzelf niet vanzelf. Soms moet je die echt opnieuw leren.”
Ze benadrukt ook dat het nooit te laat is om hulp te zoeken. Zelfs als iets jaren geleden is gebeurd, kan het nog steeds invloed hebben. “Misschien denk je dat het te laat is of dat het al zo lang geleden is. Maar hulp zoeken kan altijd nog verschil maken.”
En misschien is dat wel het belangrijkste wat ze heeft geleerd: Je hoeft het niet alleen te dragen. En het is nooit te laat om te beginnen met herstellen.
Hulp nodig? Je hoeft er niet alleen mee te blijven lopen
Herken je jezelf in (delen van) Nisa’s verhaal? Of maakt dit iets bij je los? Praat erover met iemand die je vertrouwt. Dat kan een vriend, familielid, docent, coach of hulpverlener zijn. Blijf er niet alleen mee rondlopen. Hulp vragen mag. Ook voor jou.
TW: Dit verhaal gaat over huiselijk geweld, onveiligheid en jeugdhulp. Dat kan heftig zijn. Hulp nodig? Praat met iemand die je vertrouwt of kijk op de website van Veilig Thuis.
Daan is 24 jaar en deelt haar verhaal omdat zij weet hoe ontwrichtend het is als je als kind wél vertelt wat er thuis gebeurt, maar niet wordt geloofd. Jarenlang leefde ze in een onveilige situatie, terwijl hulpverlening en school niet goed zagen wat er speelde. Juist daarom vindt zij het belangrijk dat er beter wordt geluisterd naar kinderen en jongeren.
Toen Daan zes jaar was, gingen haar ouders uit elkaar. Wat volgde was een lange en ingewikkelde vechtscheiding. In die periode was haar moeder depressief en kon ze niet goed voor zichzelf en haar broertjes zorgen. Ook was er sprake van mishandeling. Daan vertelde erover, net als zijn broertjes, maar hulp kwam niet meteen op gang. “We hebben altijd wel ons verhaal gedaan,” zegt Daan. “Maar het werd niet echt serieus genomen.”
Jarenlang voelde Daan zich daardoor onveilig en onbegrepen. Niet alleen thuis, maar ook daarbuiten. “Ik voelde me heel erg onbegrepen en niet gehoord door de organisaties waarmee we spraken,” vertelt Daan. “Dat was ontzettend frustrerend.”
“Mijn moeder kon heel goed praten”
Volgens Daan duurde het lang voordat professionals zagen wat er daadwerkelijk aan de hand was. Zij denkt dat dat ook te maken had met hoe overtuigend volwassenen kunnen overkomen. “Mijn moeder kon heel goed praten,” zegt Daan. “Daardoor geloofden mensen niet wat er bij ons thuis gebeurde.”
Op school liep zij tegen iets soortgelijks aan. Daar miste ze volwassenen die zonder oordeel konden luisteren. “Ik had het heel fijn gevonden als er op school mensen waren geweest die het gewoon serieus namen,” zegt ze. “Of die geen kant kozen.”
De behoefte was voor haar in die tijd eigenlijk heel duidelijk: niet nóg meer onderzoek of nóg meer gesprekken, maar gewoon iemand die echt luisterde. “Ik wilde vooral dat wij serieus werden genomen door mensen,” zegt Daan.
“Na vijf jaar werden we eindelijk gehoord”
Pas na jaren kwam er een hulpverlener die volgens Daan echt keek, luisterde en doorvroeg. Iemand die niet alleen met het gezin sprak, maar ook thuis observeerde en haar eigen conclusies durfde te trekken. “Zij was uiteindelijk de eerste die het echt heel serieus nam en daar ook iets mee deed,” vertelt Daan.
Die hulpverlener speelde later een belangrijke rol in de rechtszaak en de beoordeling van de thuissituatie. Uiteindelijk konden Daan en haar broertjes grotendeels bij hun vader gaan wonen. “Het was een enorme opluchting dat we na vijf jaar wel werden gehoord en geloofd,” zegt ze.
Dat veranderde veel, maar betekende niet dat alles meteen goed was. Ook daarna bleef het onrustig. Er gebeurden nog veel dingen binnen het gezin en de situatie bleef ingewikkeld. Toch bleef dat ene verschil voor haar belangrijk: eindelijk was er iemand geweest die niet wegkeek.
“Ik ben er altijd over blijven praten”
Waar sommige jongeren juist stilvallen, merkte Daan dat zij bleef vertellen wat er aan de hand was. Niet omdat dat makkelijk was, maar omdat zij voelde dat er iets moest veranderen. “Ik heb het nooit heel moeilijk gevonden om het erover te hebben,” zegt ze. “Ik wilde gewoon heel graag dat het zou veranderen.”
Dat betekende niet dat ze het alleen deed. Zijn oma was in die periode een belangrijke steun. Met haar kon zij altijd bellen en zijn verhaal kwijt. “Zij wist precies wat er aan de hand was,” vertelt Daan. “Dat was echt een steunpilaar.”
Ook in andere mensen in zijn omgeving vond zij soms een uitlaatklep. Bijvoorbeeld bij vrienden thuis, of bij ouders van vrienden die wisten dat er iets speelde. Niet altijd om oplossingen te vinden, maar wel om even op adem te komen. Om niet alles alleen te hoeven dragen.
“Je hoeft het niet alleen te dragen”
Wat Daan anderen vooral wil meegeven, is hoe belangrijk het is om mensen om je heen te zoeken bij wie je terechtkunt. Dat hoeft niet meteen een hulpverlener te zijn. Soms is het al genoeg als er één iemand is die luistert, zonder te bagatelliseren of partij te kiezen.
“Zoek mensen om je heen waar je je verhaal kwijt kan,” zegt ze. “Waar je je geliefd voelt en waar je even terecht kan. Het is gewoon fijn om je verhaal kwijt te kunnen, zodat je het niet alleen hoeft te dragen.”
Zij merkt ook nu nog hoe waardevol contact is met mensen die zelf iets ingrijpends hebben meegemaakt. Herkenning helpt. Niet omdat iemand precies hetzelfde moet hebben beleefd, maar omdat je elkaar vaak sneller begrijpt. “Ik merk dat je elkaar wat beter begrijpt,” zegt Daan. “En dat je het ook beter kunt hebben over de heftige dingen die zijn gebeurd.”
Als kind maakte zij al eens deel uit van een groep met andere kinderen van gescheiden ouders. Dat vond zij waardevol. Het liet hem zien dat herkenning en lotgenotencontact echt verschil kunnen maken. “Het was heel fijn om herkenning te vinden in andermans verhalen,” zegt Daan.
“Er moet iemand zijn die echt luistert”
Inmiddels deelt Daan zijn verhaal vaker, ook met groepen en professionals in opleiding. Wat haar dan opvalt, is dat veel mensen verbaasd zijn dat een kind zo lang niet geloofd werd. Toch is dat precies de reden waarom zij blijft vertellen. Omdat zij weet dat dit soort situaties complex zijn, en omdat zij vindt dat volwassenen beter moeten leren kijken en luisteren.
Naast steun van anderen vond Daan ook houvast in sport. Dat was voor hem een manier om even uit alle spanning en het gedoe te stappen. “Sporten was voor mij echt een uitlaatklep,” vertelt ze. “Gewoon even ergens heen kunnen waar je iets anders doet dan bezig zijn met problemen.”
Terugkijkend weet Daan hoe belangrijk het is dat kinderen niet alleen worden gehoord, maar ook serieus genomen. Niet pas na jaren, niet pas als alles escaleert, maar op het moment dat ze vertellen dat er iets niet klopt. “Er moet iemand zijn die echt luistert,” is de kern van haar verhaal.
Hulp nodig? Je hoeft er niet alleen mee te blijven lopen
Herken je jezelf in (delen van) Daan’s verhaal? Of maakt dit iets bij je los? Praat erover met iemand die je vertrouwt. Dat kan een vriend, familielid, docent, coach of hulpverlener zijn. Blijf er niet alleen mee rondlopen. Hulp vragen mag. Ook voor jou.
TW: Dit interview bevat onderwerpen zoals: suïcidale gedachten, depressie.
Lees dit alleen als je je hier emotioneel klaar voor voelt. Dat kan heftig zijn. Hulp nodig? Kijk op 113.nl.
Nisa is 26 jaar. Als ze terugkijkt op haar tienerjaren, beschrijft ze een periode waarin er veel speelde, maar waarin bijna niemand dat echt zag. Vooral de middelbareschooltijd was voor haar ingrijpend.
Thuis ging het vaak niet goed. Haar moeder had zelf mentale problemen en reageerde haar frustraties regelmatig op Nisa af. “Er werd veel geschreeuwd en ik voelde me vaak genegeerd.” Wat er thuis gebeurde, nam ze onbewust mee naar school. Toch liet ze daar weinig merken.
”Van buiten leek het alsof alles goed ging. Maar van binnen voelde ze zich vaak alleen.
“Ik deed juist alsof ik heel zelfverzekerd was,” vertelt ze. “Ik liet mensen lachen en probeerde altijd sterk over te komen.” Van buiten leek het alsof alles goed ging. Maar van binnen voelde ze zich vaak alleen.
Op haar veertiende kwam dat allemaal tot een dieptepunt. Ze deed een suïcidepoging, iets wat voor haar omgeving volledig onverwacht kwam. “Niemand had het zien aankomen, omdat ik het zo goed verborgen hield.”
Na die poging werd ze kort opgenomen in het ziekenhuis en werd therapie geadviseerd. Toch kwam die hulp er toen niet. Nisa had eerder negatieve ervaringen met hulpinstanties en wilde niet opnieuw in dat traject terechtkomen.
“Ik wilde vooral niet dat er werd ingegrepen,” zegt ze. Ze was bang dat praten over haar situatie gevolgen zou hebben, bijvoorbeeld dat ze uit huis geplaatst zou worden. Daardoor bleef ze alles zoveel mogelijk voor zichzelf houden.
“Ik praatte het goed. Mensen accepteerden dat gewoon.”
De periode daarna voelde vaak eenzaam. “Ik had vriendinnen, maar ik praatte er niet echt over.” Als mensen vroegen hoe het ging, zei ze meestal dat het beter ging. “Ik praatte het goed. Mensen accepteerden dat gewoon.”
Langzaam begon ze zich steeds meer terug te trekken. Ze huilde veel en zocht vaker de afzondering op. Vriendschappen verwaterden en ze voelde zich steeds meer alleen met haar gedachten. Wat het extra moeilijk maakte, was dat op school vooral gekeken werd naar haar prestaties. “De focus lag op mijn cijfers en op wat niet goed ging.” Gesprekken waren er wel, maar volgens haar ging het zelden over wat er écht speelde.
“De focus lag op mijn cijfers en op wat niet goed ging.”
Achteraf denkt Nisa dat sommige mensen misschien wel signalen zagen, maar niet goed wisten wat ze ermee moesten doen. “Mijn situatie was complex. Dat is ook lastig voor een docent.” Wat ze toen vooral had gemist, was ruimte. Niet per se gesprekken die moesten, maar plekken waar ze even kon blijven, kon praten of gewoon kon zijn zonder druk.
“Soms heb je eerst ruimte nodig om te ventileren voordat je weer kunt focussen op school.”
Later ontdekte ze ook hoe waardevol het kan zijn om met andere jongeren te praten. In haar omgeving hadden meerdere meiden moeilijke ervaringen meegemaakt, zoals huiselijk geweld of seksueel misbruik. Daar spraken ze onderling wel over. “Toch zochten we daar geen hulp voor,” zegt ze. Schaamte speelde een rol, maar ook het idee dat er toch niets mee gedaan zou worden. Tegenwoordig denkt ze dat ontmoetingsplekken voor jongeren juist heel belangrijk kunnen zijn. Plekken waar jongeren elkaar kunnen ontmoeten, activiteiten kunnen doen en ervaringen kunnen delen. “Niet meteen in een formele hulpverleningssituatie, maar gewoon samen.”
Na haar tienerjaren bleef Nisa lange tijd in een soort overlevingsstand leven. Ze ging door met haar leven, maar veel van wat ze had meegemaakt bleef onder de oppervlakte. Pas op haar 25e begon ze voor het eerst met therapie. “Het heeft heel lang geduurd voordat ik die stap zette,” vertelt ze. Maar die hulp maakte wel verschil. Ze kreeg meer inzicht in haar eigen emoties en leerde beter omgaan met stress en spanning.
“Ik kan mijn emoties nu beter reguleren. Vroeger raakte ik snel in paniek of werd ik boos. Nu voel ik meer stabiliteit.”
Ze ziet therapie niet als een snelle oplossing, maar wel als een belangrijke stap. “Je hoeft misschien niet volledig te ‘genezen’, maar je kunt wel leren hoe je beter met je leven omgaat.” Als Nisa terugkijkt, heeft ze één belangrijke boodschap voor jongeren die nu in een moeilijke situatie zitten. “Schaam je niet voor wat je hebt meegemaakt.”
Volgens haar begint verandering vaak bij zelfcompassie. Het besef dat je het verdient om een goed leven te hebben en rust te ervaren. “Veel jongeren leren die liefde voor zichzelf niet vanzelf. Soms moet je die echt opnieuw leren.”
Ze benadrukt ook dat het nooit te laat is om hulp te zoeken. Zelfs als iets jaren geleden is gebeurd, kan het nog steeds invloed hebben. “Misschien denk je dat het te laat is of dat het al zo lang geleden is. Maar hulp zoeken kan altijd nog verschil maken.”
En misschien is dat wel het belangrijkste wat ze heeft geleerd: Je hoeft het niet alleen te dragen. En het is nooit te laat om te beginnen met herstellen.
Hulp nodig? Je hoeft het niet alleen te doen
Misschien herken je jezelf in (delen van) Nisa’s verhaal. Of merk je dat het iets bij je losmaakt. Wat het ook is: je hoeft er niet alleen mee rond te blijven lopen. Hulp vragen mag.
TW: Dit interview bevat onderwerpen zoals eetstoornissen en depressie.
Sommige stukken kunnen confronterend zijn. Lees met zorg voor jezelf. Hulp nodig? Kijk op 113.nl.
Lien is 25 en groeide op in een gezin waar emoties ingewikkeld waren. Haar vader was emotioneel afwezig, haar moeder juist erg aanwezig. Daardoor leerde ze niet hoe ze haar eigen gevoelens kon reguleren of begrijpen.
“Ik heb thuis nooit geleerd hoe ik mijn emoties een plek moest geven.” Haar depressieve klachten begonnen al rond haar achtste of negende. In haar tienerjaren ging ze daar op manieren mee om die haar verder van zichzelf verwijderden. Wat begon als somberheid, mondde uiteindelijk uit in anorexia nervosa en later een diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis.
Als kind en tiener voelde ze zich vaak eenzaam en verloren. “Ik wist niet waar al die negatieve emoties vandaan kwamen. Ik voelde me een aansteller.” Dat gevoel zorgde ervoor dat ze zich steeds verder isoleerde en zich daardoor alleen maar slechter ging voelen.
Er was één lichtpuntje: haar kleine zusje. “Als zij bij mij op mijn kamer zat, voelde ik me altijd lichter. Zij was echt opluchting en liefde voor mij.”
“Het voelde veilig, ook al maakte het me kapot.”
Rond haar negentiende was haar eetstoornis op zijn heftigst. Ze lag veel in bed of was obsessief aan het sporten. Ze was ondervoed en uitgeput. Haar ouders zagen haar worstelen, maar grepen niet hard in. “Het voelde alsof het ze niets kon schelen dat ik mezelf uithongerde.”
Die gedachte was pijnlijk en giftig. “Daardoor voelde ik nog meer alsof ik het verdiende.”
Online zocht ze bevestiging. Ze deed quizjes om te kijken of ze zich niet aanstelde en zocht eindeloos naar symptomen. Als ze bepaalde symptomen nog niet had, wilde ze die eerst ervaren voordat ze hulp zou zoeken.
Ze beschrijft haar eetstoornis als een haat-liefdeverhouding. “Ik kon mezelf haten omdat ik niet ‘normaal’ deed. Maar ik was ook bang dat niemand me ooit zo goed zou begrijpen als mijn anorexia dat deed. Het voelde veilig.”
Hulp vragen was ingewikkeld. Schaamte speelde mee, maar ook de lange wachtlijsten. “Als ik zes maanden moest wachten, dacht ik: dan heb ik er tegen die tijd vast geen last meer van. Of dan ben ik er misschien niet meer.”
“Niemand kon mij uit die put halen behalve ikzelf.”
Wat haar uiteindelijk echt hielp, was een harde confrontatie in therapie. Ze werd gewezen op haar eigen verantwoordelijkheid. Dat ze, zonder het zo te zien in een slachtofferrol zat.
“Ik schaamde me enorm. Maar het was ook het moment waarop ik begon te zien dat niemand mij kon redden behalve ikzelf.”
Een zin van een mentor zal ze nooit vergeten: “Ik ben zo trots op jou. Je hebt gevochten. Je hebt jezelf gered.”
Dat iemand haar volledig had gezien, ook haar donkerste kanten en toch trots was, betekende alles.
In diezelfde periode ontdekte ze iets anders over zichzelf: hoe bang ze eigenlijk was om te falen. “Ik heb geleerd dat ik doodsbang ben om te falen, zelfs in therapie. Ik wilde laten zien dat ik een functionerend en slim persoon was. Terwijl ik dat op dat moment helemaal niet was.” Ze was bang om haar emoties verkeerd uit te spreken. Bang om therapie ‘verkeerd’ te doen. Bang om tijd en geld te verspillen. Bang om zichzelf teleur te stellen. “Ik was echt voor bizar veel dingen bang.”
Pas drie jaar geleden ontdekte ze hoe weinig ruimte er voor emoties was geweest in haar leven. Tot haar 22e wist ze niet hoe woede voelde. “Ik was altijd leeg en moe geweest. Het is best eng om voor het eerst echt boos te worden als je volwassen bent.”
Wat haar helpt, is geduld. Dat vond ze bij haar partner, die naast haar komt zitten en vraagt wat ze nodig heeft. En soms helpt iets kleins, zoals een foto van haar jongere zelf. “Als ik wil terugvallen, probeer ik haar te geven wat ze nooit heeft gekregen.”
Wat Lien wil meegeven:
“Het gaat tijd kosten. Ongelofelijk veel tijd.” Patronen die je jarenlang hebt opgebouwd, breek je niet in een paar weken af.
Over mentale klachten bij jongeren zegt ze: “Vroeger droeg niemand een bril. Niet omdat mensen geen slecht zicht hadden, maar omdat er nog geen hulpmiddel was. Nu heeft bijna iedereen er één. Zo zie ik mentale klachten ook. Ze waren er altijd al, we hebben nu alleen meer woorden en kennis.”
Dat iets minder zichtbaar is, betekent niet dat het minder echt is. Alleen omdat je het verband niet ziet, betekent niet dat het er niet is.
Hulp nodig? Je hoeft het niet alleen te doen
Misschien herken je jezelf in (delen van) Lien’s verhaal. Of merk je dat het iets bij je losmaakt. Wat het ook is: je hoeft er niet alleen mee rond te blijven lopen. Hulp vragen mag.
TW: Dit interview bevat onderwerpen zoals zelfbeschadiging, suïcidale gedachten, depressie.
Lees dit alleen als je je hier emotioneel klaar voor voelt. Dat kan heftig zijn. Hulp nodig? Kijk op 113.nl.
Achraf is 16 en worstelt al jaren met mentale problemen, vooral met een depressie. “Het is de laatste jaren iets verminderd,” vertelt hij, “maar ik merk er nog steeds veel van.”
Alleen met mijn gedachten
Achraf is 16 en worstelt al jaren met mentale problemen, vooral met een depressie. “Het is de laatste jaren iets verminderd,” vertelt hij, “maar ik merk er nog steeds veel van.”
In de zwaarste periode sneed hij zichzelf regelmatig. Hij praatte er met niemand over. “Ik voelde me heel alleen, omdat ik dacht dat ik de enige was die hiermee te maken had.” Hij had lange tijd suïcidale gedachten en deed ook meerdere pogingen. Thuis waren er vaak ruzies, waardoor hij zich nog verder terugtrok. “Daardoor werd mijn depressie alleen maar erger.”
“Ik wilde hen geen pijn doen met mijn depressie.”
Hoewel vrienden hem probeerden te steunen, voelde hij zich alsnog alleen. Toen zijn ouders erbij betrokken werden, sloot hij zich nog meer af. “Ik wilde hen geen pijn doen met mijn depressie. Ik merkte dat het ook voor hen zwaar was.” Het duurde jaren voordat hij er echt over kon praten en pas toen begon het langzaam beter te gaan.
Het zwaarst vond hij het gevoel dat mensen hem niet begrepen. “Ik wilde gewoon met rust gelaten worden, maar dat leek niemand te snappen.” Ouders, vrienden en docenten vroegen het goedbedoeld, maar voor hem voelde het benauwend.
Hij wist dat hij op school hulp kon krijgen, maar maakte daar geen gebruik van. “Ik wist dat het tegen mijn ouders verteld zou worden. Dat wilde ik echt niet.” Die angst zorgde ervoor dat hij helemaal geen hulp zocht.
’s Avonds, na een slechte dag, zocht hij online naar groepen met jongeren die hetzelfde meemaakten. “Vooral als ik mezelf pijn had gedaan of dat van plan was om te gaan doen.” Hij hoopte zich minder alleen te voelen en misschien met iemand te kunnen praten.
“Ik kon nog wel lachen, dus mensen dachten dat het niet zo erg was.”
Achteraf denkt hij dat de signalen duidelijk waren. “Ik kon nog wel lachen, dus mensen dachten dat het niet zo erg was.” Maar vanbinnen speelde er veel meer. Toen zijn vrienden na twee jaar docenten inschakelden, voelde dat niet als hulp. Zijn ouders werden gebeld en hij moest verplicht naar een therapeut waar hij niets zei. “Dat maakte me alleen maar meer afgesloten. ”Wat hij vooral wil dat mensen begrijpen: informatie delen zonder toestemming kan averechts werken. “Ik voelde me niet geholpen. Ik voelde me verraden.”
In die jaren leerde Achraf iets belangrijks over zichzelf. “Ik denk dat ik heb geleerd dat ik overal wel overheen kom.” Soms voelt het extreem zwaar en ziet hij het leven niet meer zitten, maar tot nu toe kwam er altijd weer een moment dat het iets lichter werd.
Kleine momenten maakten verschil. Afspreken met vrienden of iets doen met familie liet hem zien dat hij niet alleen was. “Dan geloofde ik weer even dat er mensen zijn die om mij geven.”
Wat hij nodig had? Iemand die echt begreep wat hij voelde. “Iemand die hetzelfde had meegemaakt en niet meteen dacht dat ik me aanstelde.”
“Hoe moeilijk het ook is, praat erover.”
Wat hij tegen andere jongeren wil zeggen is duidelijk: “Hoe moeilijk het ook is, praat erover.” Dat hoeft niet met iemand die je kent. Het kan ook anoniem. “Maar praat er alsjeblieft over. Mensen zijn begripvoller dan je denkt en er zijn genoeg mensen die je willen helpen.”
Volgens Achraf wordt er vaak gezegd dat jongeren overdrijven. “Omdat we nog ‘te jong’ zouden zijn voor echte problemen.” Maar mentale klachten zijn niet minder echt omdat je jong bent. Wat voor anderen klein lijkt, kan voor een jongere enorm voelen.
En misschien is dat wel het belangrijkste om te onthouden:
Ook als je nog kunt lachen, kan het vanbinnen donker zijn. En juist dan mag je om hulp vragen.
Hulp nodig? Je hoeft het niet alleen te doen
Misschien herken je jezelf in (delen van) Achraf’s verhaal. Of merk je dat het iets bij je losmaakt. Wat het ook is: je hoeft er niet alleen mee rond te blijven lopen. Hulp vragen mag.