TW: Dit interview bevat onderwerpen zoals suïcidale gedachten, depressie.
Lees dit alleen als je je hier emotioneel klaar voor voelt. Dat kan heftig zijn. Hulp nodig? Kijk op 113.nl.
Nisa is 26 jaar. Als ze terugkijkt op haar tienerjaren, beschrijft ze een periode waarin er veel speelde, maar waarin bijna niemand dat echt zag. Vooral de middelbareschooltijd was voor haar ingrijpend.
Thuis ging het vaak niet goed. Haar moeder had zelf mentale problemen en reageerde haar frustraties regelmatig op Nisa af. “Er werd veel geschreeuwd en ik voelde me vaak genegeerd.” Wat er thuis gebeurde, nam ze onbewust mee naar school. Toch liet ze daar weinig merken.
”Van buiten leek het alsof alles goed ging. Maar van binnen voelde ze zich vaak alleen.
“Ik deed juist alsof ik heel zelfverzekerd was,” vertelt ze. “Ik liet mensen lachen en probeerde altijd sterk over te komen.” Van buiten leek het alsof alles goed ging. Maar van binnen voelde ze zich vaak alleen.
Op haar veertiende kwam dat allemaal tot een dieptepunt. Ze deed een suïcidepoging, iets wat voor haar omgeving volledig onverwacht kwam. “Niemand had het zien aankomen, omdat ik het zo goed verborgen hield.”
Na die poging werd ze kort opgenomen in het ziekenhuis en werd therapie geadviseerd. Toch kwam die hulp er toen niet. Nisa had eerder negatieve ervaringen met hulpinstanties en wilde niet opnieuw in dat traject terechtkomen.
“Ik wilde vooral niet dat er werd ingegrepen,” zegt ze. Ze was bang dat praten over haar situatie gevolgen zou hebben, bijvoorbeeld dat ze uit huis geplaatst zou worden. Daardoor bleef ze alles zoveel mogelijk voor zichzelf houden.
“Ik praatte het goed. Mensen accepteerden dat gewoon.”
De periode daarna voelde vaak eenzaam. “Ik had vriendinnen, maar ik praatte er niet echt over.” Als mensen vroegen hoe het ging, zei ze meestal dat het beter ging. “Ik praatte het goed. Mensen accepteerden dat gewoon.”
Langzaam begon ze zich steeds meer terug te trekken. Ze huilde veel en zocht vaker de afzondering op. Vriendschappen verwaterden en ze voelde zich steeds meer alleen met haar gedachten. Wat het extra moeilijk maakte, was dat op school vooral gekeken werd naar haar prestaties. “De focus lag op mijn cijfers en op wat niet goed ging.” Gesprekken waren er wel, maar volgens haar ging het zelden over wat er écht speelde.
“De focus lag op mijn cijfers en op wat niet goed ging.”
Achteraf denkt Nisa dat sommige mensen misschien wel signalen zagen, maar niet goed wisten wat ze ermee moesten doen. “Mijn situatie was complex. Dat is ook lastig voor een docent.” Wat ze toen vooral had gemist, was ruimte. Niet per se gesprekken die moesten, maar plekken waar ze even kon blijven, kon praten of gewoon kon zijn zonder druk.
“Soms heb je eerst ruimte nodig om te ventileren voordat je weer kunt focussen op school.”
Later ontdekte ze ook hoe waardevol het kan zijn om met andere jongeren te praten. In haar omgeving hadden meerdere meiden moeilijke ervaringen meegemaakt, zoals huiselijk geweld of seksueel misbruik. Daar spraken ze onderling wel over. “Toch zochten we daar geen hulp voor,” zegt ze. Schaamte speelde een rol, maar ook het idee dat er toch niets mee gedaan zou worden. Tegenwoordig denkt ze dat ontmoetingsplekken voor jongeren juist heel belangrijk kunnen zijn. Plekken waar jongeren elkaar kunnen ontmoeten, activiteiten kunnen doen en ervaringen kunnen delen. “Niet meteen in een formele hulpverleningssituatie, maar gewoon samen.”
Na haar tienerjaren bleef Nisa lange tijd in een soort overlevingsstand leven. Ze ging door met haar leven, maar veel van wat ze had meegemaakt bleef onder de oppervlakte. Pas op haar 25e begon ze voor het eerst met therapie. “Het heeft heel lang geduurd voordat ik die stap zette,” vertelt ze. Maar die hulp maakte wel verschil. Ze kreeg meer inzicht in haar eigen emoties en leerde beter omgaan met stress en spanning.
“Ik kan mijn emoties nu beter reguleren. Vroeger raakte ik snel in paniek of werd ik boos. Nu voel ik meer stabiliteit.”
Ze ziet therapie niet als een snelle oplossing, maar wel als een belangrijke stap. “Je hoeft misschien niet volledig te ‘genezen’, maar je kunt wel leren hoe je beter met je leven omgaat.” Als Nisa terugkijkt, heeft ze één belangrijke boodschap voor jongeren die nu in een moeilijke situatie zitten. “Schaam je niet voor wat je hebt meegemaakt.”
Volgens haar begint verandering vaak bij zelfcompassie. Het besef dat je het verdient om een goed leven te hebben en rust te ervaren. “Veel jongeren leren die liefde voor zichzelf niet vanzelf. Soms moet je die echt opnieuw leren.”
Ze benadrukt ook dat het nooit te laat is om hulp te zoeken. Zelfs als iets jaren geleden is gebeurd, kan het nog steeds invloed hebben. “Misschien denk je dat het te laat is of dat het al zo lang geleden is. Maar hulp zoeken kan altijd nog verschil maken.”
En misschien is dat wel het belangrijkste wat ze heeft geleerd: Je hoeft het niet alleen te dragen. En het is nooit te laat om te beginnen met herstellen.
Hulp nodig? Je hoeft er niet alleen mee te blijven lopen
Herken je jezelf in (delen van) Nisa’s verhaal? Of maakt dit iets bij je los? Praat erover met iemand die je vertrouwt. Dat kan een vriend, familielid, docent, coach of hulpverlener zijn. Blijf er niet alleen mee rondlopen. Hulp vragen mag. Ook voor jou.
TW: Let op: Dit verhaal gaat over huiselijk geweld, onveiligheid en jeugdhulp. Dat kan heftig zijn. Hulp nodig? Praat met iemand die je vertrouwt of kijk op de website van Veilig Thuis.
Daan is 24 jaar en deelt haar verhaal omdat zij weet hoe ontwrichtend het is als je als kind wél vertelt wat er thuis gebeurt, maar niet wordt geloofd. Jarenlang leefde ze in een onveilige situatie, terwijl hulpverlening en school niet goed zagen wat er speelde. Juist daarom vindt zij het belangrijk dat er beter wordt geluisterd naar kinderen en jongeren.
Toen Daan zes jaar was, gingen haar ouders uit elkaar. Wat volgde was een lange en ingewikkelde vechtscheiding. In die periode was haar moeder depressief en kon ze niet goed voor zichzelf en haar broertjes zorgen. Ook was er sprake van mishandeling. Daan vertelde erover, net als zijn broertjes, maar hulp kwam niet meteen op gang. “We hebben altijd wel ons verhaal gedaan,” zegt Daan. “Maar het werd niet echt serieus genomen.”
Jarenlang voelde Daan zich daardoor onveilig en onbegrepen. Niet alleen thuis, maar ook daarbuiten. “Ik voelde me heel erg onbegrepen en niet gehoord door de organisaties waarmee we spraken,” vertelt Daan. “Dat was ontzettend frustrerend.”
“Mijn moeder kon heel goed praten”
Volgens Daan duurde het lang voordat professionals zagen wat er daadwerkelijk aan de hand was. Zij denkt dat dat ook te maken had met hoe overtuigend volwassenen kunnen overkomen. “Mijn moeder kon heel goed praten,” zegt Daan. “Daardoor geloofden mensen niet wat er bij ons thuis gebeurde.”
Op school liep zij tegen iets soortgelijks aan. Daar miste ze volwassenen die zonder oordeel konden luisteren. “Ik had het heel fijn gevonden als er op school mensen waren geweest die het gewoon serieus namen,” zegt hij. “Of die geen kant kozen.”
De behoefte was voor hem in die tijd eigenlijk heel duidelijk: niet nóg meer onderzoek of nóg meer gesprekken, maar gewoon iemand die echt luisterde. “Ik wilde vooral dat wij serieus werden genomen door mensen,” zegt Daan.
“Na vijf jaar werden we eindelijk gehoord”
Pas na jaren kwam er een hulpverlener die volgens Daan echt keek, luisterde en doorvroeg. Iemand die niet alleen met het gezin sprak, maar ook thuis observeerde en haar eigen conclusies durfde te trekken. “Zij was uiteindelijk de eerste die het echt heel serieus nam en daar ook iets mee deed,” vertelt Daan.
Die hulpverlener speelde later een belangrijke rol in de rechtszaak en de beoordeling van de thuissituatie. Uiteindelijk konden Daan en zijn broertjes grotendeels bij hun vader gaan wonen. “Het was een enorme opluchting dat we na vijf jaar wel werden gehoord en geloofd,” zegt hij.
Dat veranderde veel, maar betekende niet dat alles meteen goed was. Ook daarna bleef het onrustig. Er gebeurden nog veel dingen binnen het gezin en de situatie bleef ingewikkeld. Toch bleef dat ene verschil voor hem belangrijk: eindelijk was er iemand geweest die niet wegkeek.
“Ik ben er altijd over blijven praten”
Waar sommige jongeren juist stilvallen, merkte Daan dat zij bleef vertellen wat er aan de hand was. Niet omdat dat makkelijk was, maar omdat zij voelde dat er iets moest veranderen. “Ik heb het nooit heel moeilijk gevonden om het erover te hebben,” zegt ze. “Ik wilde gewoon heel graag dat het zou veranderen.”
Dat betekende niet dat ze het alleen deed. Zijn oma was in die periode een belangrijke steun. Met haar kon zij altijd bellen en zijn verhaal kwijt. “Zij wist precies wat er aan de hand was,” vertelt Daan. “Dat was echt een steunpilaar.”
Ook in andere mensen in zijn omgeving vond zij soms een uitlaatklep. Bijvoorbeeld bij vrienden thuis, of bij ouders van vrienden die wisten dat er iets speelde. Niet altijd om oplossingen te vinden, maar wel om even op adem te komen. Om niet alles alleen te hoeven dragen.
“Je hoeft het niet alleen te dragen”
Wat Daan anderen vooral wil meegeven, is hoe belangrijk het is om mensen om je heen te zoeken bij wie je terechtkunt. Dat hoeft niet meteen een hulpverlener te zijn. Soms is het al genoeg als er één iemand is die luistert, zonder te bagatelliseren of partij te kiezen.
“Zoek mensen om je heen waar je je verhaal kwijt kan,” zegt ze. “Waar je je geliefd voelt en waar je even terecht kan. Het is gewoon fijn om je verhaal kwijt te kunnen, zodat je het niet alleen hoeft te dragen.”
Zij merkt ook nu nog hoe waardevol contact is met mensen die zelf iets ingrijpends hebben meegemaakt. Herkenning helpt. Niet omdat iemand precies hetzelfde moet hebben beleefd, maar omdat je elkaar vaak sneller begrijpt. “Ik merk dat je elkaar wat beter begrijpt,” zegt Daan. “En dat je het ook beter kunt hebben over de heftige dingen die zijn gebeurd.”
Als kind maakte zij al eens deel uit van een groep met andere kinderen van gescheiden ouders. Dat vond zij waardevol. Het liet hem zien dat herkenning en lotgenotencontact echt verschil kunnen maken. “Het was heel fijn om herkenning te vinden in andermans verhalen,” zegt Daan.
“Er moet iemand zijn die echt luistert”
Inmiddels deelt Daan zijn verhaal vaker, ook met groepen en professionals in opleiding. Wat haar dan opvalt, is dat veel mensen verbaasd zijn dat een kind zo lang niet geloofd werd. Toch is dat precies de reden waarom zij blijft vertellen. Omdat zij weet dat dit soort situaties complex zijn, en omdat zij vindt dat volwassenen beter moeten leren kijken en luisteren.
Naast steun van anderen vond Daan ook houvast in sport. Dat was voor hem een manier om even uit alle spanning en het gedoe te stappen. “Sporten was voor mij echt een uitlaatklep,” vertelt ze. “Gewoon even ergens heen kunnen waar je iets anders doet dan bezig zijn met problemen.”
Terugkijkend weet Daan hoe belangrijk het is dat kinderen niet alleen worden gehoord, maar ook serieus genomen. Niet pas na jaren, niet pas als alles escaleert, maar op het moment dat ze vertellen dat er iets niet klopt. “Er moet iemand zijn die echt luistert,” is de kern van haar verhaal.
Hulp nodig? Je hoeft er niet alleen mee te blijven lopen
Herken je jezelf in (delen van) Daan’s verhaal? Of maakt dit iets bij je los? Praat erover met iemand die je vertrouwt. Dat kan een vriend, familielid, docent, coach of hulpverlener zijn. Blijf er niet alleen mee rondlopen. Hulp vragen mag. Ook voor jou.
TW: Dit interview bevat onderwerpen zoals: suïcidale gedachten, depressie.
Lees dit alleen als je je hier emotioneel klaar voor voelt. Dat kan heftig zijn. Hulp nodig? Kijk op 113.nl.
Nisa is 26 jaar. Als ze terugkijkt op haar tienerjaren, beschrijft ze een periode waarin er veel speelde, maar waarin bijna niemand dat echt zag. Vooral de middelbareschooltijd was voor haar ingrijpend.
Thuis ging het vaak niet goed. Haar moeder had zelf mentale problemen en reageerde haar frustraties regelmatig op Nisa af. “Er werd veel geschreeuwd en ik voelde me vaak genegeerd.” Wat er thuis gebeurde, nam ze onbewust mee naar school. Toch liet ze daar weinig merken.
”Van buiten leek het alsof alles goed ging. Maar van binnen voelde ze zich vaak alleen.
“Ik deed juist alsof ik heel zelfverzekerd was,” vertelt ze. “Ik liet mensen lachen en probeerde altijd sterk over te komen.” Van buiten leek het alsof alles goed ging. Maar van binnen voelde ze zich vaak alleen.
Op haar veertiende kwam dat allemaal tot een dieptepunt. Ze deed een suïcidepoging, iets wat voor haar omgeving volledig onverwacht kwam. “Niemand had het zien aankomen, omdat ik het zo goed verborgen hield.”
Na die poging werd ze kort opgenomen in het ziekenhuis en werd therapie geadviseerd. Toch kwam die hulp er toen niet. Nisa had eerder negatieve ervaringen met hulpinstanties en wilde niet opnieuw in dat traject terechtkomen.
“Ik wilde vooral niet dat er werd ingegrepen,” zegt ze. Ze was bang dat praten over haar situatie gevolgen zou hebben, bijvoorbeeld dat ze uit huis geplaatst zou worden. Daardoor bleef ze alles zoveel mogelijk voor zichzelf houden.
“Ik praatte het goed. Mensen accepteerden dat gewoon.”
De periode daarna voelde vaak eenzaam. “Ik had vriendinnen, maar ik praatte er niet echt over.” Als mensen vroegen hoe het ging, zei ze meestal dat het beter ging. “Ik praatte het goed. Mensen accepteerden dat gewoon.”
Langzaam begon ze zich steeds meer terug te trekken. Ze huilde veel en zocht vaker de afzondering op. Vriendschappen verwaterden en ze voelde zich steeds meer alleen met haar gedachten. Wat het extra moeilijk maakte, was dat op school vooral gekeken werd naar haar prestaties. “De focus lag op mijn cijfers en op wat niet goed ging.” Gesprekken waren er wel, maar volgens haar ging het zelden over wat er écht speelde.
“De focus lag op mijn cijfers en op wat niet goed ging.”
Achteraf denkt Nisa dat sommige mensen misschien wel signalen zagen, maar niet goed wisten wat ze ermee moesten doen. “Mijn situatie was complex. Dat is ook lastig voor een docent.” Wat ze toen vooral had gemist, was ruimte. Niet per se gesprekken die moesten, maar plekken waar ze even kon blijven, kon praten of gewoon kon zijn zonder druk.
“Soms heb je eerst ruimte nodig om te ventileren voordat je weer kunt focussen op school.”
Later ontdekte ze ook hoe waardevol het kan zijn om met andere jongeren te praten. In haar omgeving hadden meerdere meiden moeilijke ervaringen meegemaakt, zoals huiselijk geweld of seksueel misbruik. Daar spraken ze onderling wel over. “Toch zochten we daar geen hulp voor,” zegt ze. Schaamte speelde een rol, maar ook het idee dat er toch niets mee gedaan zou worden. Tegenwoordig denkt ze dat ontmoetingsplekken voor jongeren juist heel belangrijk kunnen zijn. Plekken waar jongeren elkaar kunnen ontmoeten, activiteiten kunnen doen en ervaringen kunnen delen. “Niet meteen in een formele hulpverleningssituatie, maar gewoon samen.”
Na haar tienerjaren bleef Nisa lange tijd in een soort overlevingsstand leven. Ze ging door met haar leven, maar veel van wat ze had meegemaakt bleef onder de oppervlakte. Pas op haar 25e begon ze voor het eerst met therapie. “Het heeft heel lang geduurd voordat ik die stap zette,” vertelt ze. Maar die hulp maakte wel verschil. Ze kreeg meer inzicht in haar eigen emoties en leerde beter omgaan met stress en spanning.
“Ik kan mijn emoties nu beter reguleren. Vroeger raakte ik snel in paniek of werd ik boos. Nu voel ik meer stabiliteit.”
Ze ziet therapie niet als een snelle oplossing, maar wel als een belangrijke stap. “Je hoeft misschien niet volledig te ‘genezen’, maar je kunt wel leren hoe je beter met je leven omgaat.” Als Nisa terugkijkt, heeft ze één belangrijke boodschap voor jongeren die nu in een moeilijke situatie zitten. “Schaam je niet voor wat je hebt meegemaakt.”
Volgens haar begint verandering vaak bij zelfcompassie. Het besef dat je het verdient om een goed leven te hebben en rust te ervaren. “Veel jongeren leren die liefde voor zichzelf niet vanzelf. Soms moet je die echt opnieuw leren.”
Ze benadrukt ook dat het nooit te laat is om hulp te zoeken. Zelfs als iets jaren geleden is gebeurd, kan het nog steeds invloed hebben. “Misschien denk je dat het te laat is of dat het al zo lang geleden is. Maar hulp zoeken kan altijd nog verschil maken.”
En misschien is dat wel het belangrijkste wat ze heeft geleerd: Je hoeft het niet alleen te dragen. En het is nooit te laat om te beginnen met herstellen.
Hulp nodig? Je hoeft het niet alleen te doen
Misschien herken je jezelf in (delen van) Nisa’s verhaal. Of merk je dat het iets bij je losmaakt. Wat het ook is: je hoeft er niet alleen mee rond te blijven lopen. Hulp vragen mag.
TW: Dit interview bevat onderwerpen zoals eetstoornissen en depressie.
Sommige stukken kunnen confronterend zijn. Lees met zorg voor jezelf. Hulp nodig? Kijk op 113.nl.
Lien is 25 en groeide op in een gezin waar emoties ingewikkeld waren. Haar vader was emotioneel afwezig, haar moeder juist erg aanwezig. Daardoor leerde ze niet hoe ze haar eigen gevoelens kon reguleren of begrijpen.
“Ik heb thuis nooit geleerd hoe ik mijn emoties een plek moest geven.” Haar depressieve klachten begonnen al rond haar achtste of negende. In haar tienerjaren ging ze daar op manieren mee om die haar verder van zichzelf verwijderden. Wat begon als somberheid, mondde uiteindelijk uit in anorexia nervosa en later een diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis.
Als kind en tiener voelde ze zich vaak eenzaam en verloren. “Ik wist niet waar al die negatieve emoties vandaan kwamen. Ik voelde me een aansteller.” Dat gevoel zorgde ervoor dat ze zich steeds verder isoleerde en zich daardoor alleen maar slechter ging voelen.
Er was één lichtpuntje: haar kleine zusje. “Als zij bij mij op mijn kamer zat, voelde ik me altijd lichter. Zij was echt opluchting en liefde voor mij.”
“Het voelde veilig, ook al maakte het me kapot.”
Rond haar negentiende was haar eetstoornis op zijn heftigst. Ze lag veel in bed of was obsessief aan het sporten. Ze was ondervoed en uitgeput. Haar ouders zagen haar worstelen, maar grepen niet hard in. “Het voelde alsof het ze niets kon schelen dat ik mezelf uithongerde.”
Die gedachte was pijnlijk en giftig. “Daardoor voelde ik nog meer alsof ik het verdiende.”
Online zocht ze bevestiging. Ze deed quizjes om te kijken of ze zich niet aanstelde en zocht eindeloos naar symptomen. Als ze bepaalde symptomen nog niet had, wilde ze die eerst ervaren voordat ze hulp zou zoeken.
Ze beschrijft haar eetstoornis als een haat-liefdeverhouding. “Ik kon mezelf haten omdat ik niet ‘normaal’ deed. Maar ik was ook bang dat niemand me ooit zo goed zou begrijpen als mijn anorexia dat deed. Het voelde veilig.”
Hulp vragen was ingewikkeld. Schaamte speelde mee, maar ook de lange wachtlijsten. “Als ik zes maanden moest wachten, dacht ik: dan heb ik er tegen die tijd vast geen last meer van. Of dan ben ik er misschien niet meer.”
“Niemand kon mij uit die put halen behalve ikzelf.”
Wat haar uiteindelijk echt hielp, was een harde confrontatie in therapie. Ze werd gewezen op haar eigen verantwoordelijkheid. Dat ze, zonder het zo te zien in een slachtofferrol zat.
“Ik schaamde me enorm. Maar het was ook het moment waarop ik begon te zien dat niemand mij kon redden behalve ikzelf.”
Een zin van een mentor zal ze nooit vergeten: “Ik ben zo trots op jou. Je hebt gevochten. Je hebt jezelf gered.”
Dat iemand haar volledig had gezien, ook haar donkerste kanten en toch trots was, betekende alles.
In diezelfde periode ontdekte ze iets anders over zichzelf: hoe bang ze eigenlijk was om te falen. “Ik heb geleerd dat ik doodsbang ben om te falen, zelfs in therapie. Ik wilde laten zien dat ik een functionerend en slim persoon was. Terwijl ik dat op dat moment helemaal niet was.” Ze was bang om haar emoties verkeerd uit te spreken. Bang om therapie ‘verkeerd’ te doen. Bang om tijd en geld te verspillen. Bang om zichzelf teleur te stellen. “Ik was echt voor bizar veel dingen bang.”
Pas drie jaar geleden ontdekte ze hoe weinig ruimte er voor emoties was geweest in haar leven. Tot haar 22e wist ze niet hoe woede voelde. “Ik was altijd leeg en moe geweest. Het is best eng om voor het eerst echt boos te worden als je volwassen bent.”
Wat haar helpt, is geduld. Dat vond ze bij haar partner, die naast haar komt zitten en vraagt wat ze nodig heeft. En soms helpt iets kleins, zoals een foto van haar jongere zelf. “Als ik wil terugvallen, probeer ik haar te geven wat ze nooit heeft gekregen.”
Wat Lien wil meegeven:
“Het gaat tijd kosten. Ongelofelijk veel tijd.” Patronen die je jarenlang hebt opgebouwd, breek je niet in een paar weken af.
Over mentale klachten bij jongeren zegt ze: “Vroeger droeg niemand een bril. Niet omdat mensen geen slecht zicht hadden, maar omdat er nog geen hulpmiddel was. Nu heeft bijna iedereen er één. Zo zie ik mentale klachten ook. Ze waren er altijd al, we hebben nu alleen meer woorden en kennis.”
Dat iets minder zichtbaar is, betekent niet dat het minder echt is. Alleen omdat je het verband niet ziet, betekent niet dat het er niet is.
Hulp nodig? Je hoeft het niet alleen te doen
Misschien herken je jezelf in (delen van) Lien’s verhaal. Of merk je dat het iets bij je losmaakt. Wat het ook is: je hoeft er niet alleen mee rond te blijven lopen. Hulp vragen mag.
TW: Dit interview bevat onderwerpen zoals zelfbeschadiging, suïcidale gedachten, depressie.
Lees dit alleen als je je hier emotioneel klaar voor voelt. Dat kan heftig zijn. Hulp nodig? Kijk op 113.nl.
Achraf is 16 en worstelt al jaren met mentale problemen, vooral met een depressie. “Het is de laatste jaren iets verminderd,” vertelt hij, “maar ik merk er nog steeds veel van.”
Alleen met mijn gedachten
Achraf is 16 en worstelt al jaren met mentale problemen, vooral met een depressie. “Het is de laatste jaren iets verminderd,” vertelt hij, “maar ik merk er nog steeds veel van.”
In de zwaarste periode sneed hij zichzelf regelmatig. Hij praatte er met niemand over. “Ik voelde me heel alleen, omdat ik dacht dat ik de enige was die hiermee te maken had.” Hij had lange tijd suïcidale gedachten en deed ook meerdere pogingen. Thuis waren er vaak ruzies, waardoor hij zich nog verder terugtrok. “Daardoor werd mijn depressie alleen maar erger.”
“Ik wilde hen geen pijn doen met mijn depressie.”
Hoewel vrienden hem probeerden te steunen, voelde hij zich alsnog alleen. Toen zijn ouders erbij betrokken werden, sloot hij zich nog meer af. “Ik wilde hen geen pijn doen met mijn depressie. Ik merkte dat het ook voor hen zwaar was.” Het duurde jaren voordat hij er echt over kon praten en pas toen begon het langzaam beter te gaan.
Het zwaarst vond hij het gevoel dat mensen hem niet begrepen. “Ik wilde gewoon met rust gelaten worden, maar dat leek niemand te snappen.” Ouders, vrienden en docenten vroegen het goedbedoeld, maar voor hem voelde het benauwend.
Hij wist dat hij op school hulp kon krijgen, maar maakte daar geen gebruik van. “Ik wist dat het tegen mijn ouders verteld zou worden. Dat wilde ik echt niet.” Die angst zorgde ervoor dat hij helemaal geen hulp zocht.
’s Avonds, na een slechte dag, zocht hij online naar groepen met jongeren die hetzelfde meemaakten. “Vooral als ik mezelf pijn had gedaan of dat van plan was om te gaan doen.” Hij hoopte zich minder alleen te voelen en misschien met iemand te kunnen praten.
“Ik kon nog wel lachen, dus mensen dachten dat het niet zo erg was.”
Achteraf denkt hij dat de signalen duidelijk waren. “Ik kon nog wel lachen, dus mensen dachten dat het niet zo erg was.” Maar vanbinnen speelde er veel meer. Toen zijn vrienden na twee jaar docenten inschakelden, voelde dat niet als hulp. Zijn ouders werden gebeld en hij moest verplicht naar een therapeut waar hij niets zei. “Dat maakte me alleen maar meer afgesloten. ”Wat hij vooral wil dat mensen begrijpen: informatie delen zonder toestemming kan averechts werken. “Ik voelde me niet geholpen. Ik voelde me verraden.”
In die jaren leerde Achraf iets belangrijks over zichzelf. “Ik denk dat ik heb geleerd dat ik overal wel overheen kom.” Soms voelt het extreem zwaar en ziet hij het leven niet meer zitten, maar tot nu toe kwam er altijd weer een moment dat het iets lichter werd.
Kleine momenten maakten verschil. Afspreken met vrienden of iets doen met familie liet hem zien dat hij niet alleen was. “Dan geloofde ik weer even dat er mensen zijn die om mij geven.”
Wat hij nodig had? Iemand die echt begreep wat hij voelde. “Iemand die hetzelfde had meegemaakt en niet meteen dacht dat ik me aanstelde.”
“Hoe moeilijk het ook is, praat erover.”
Wat hij tegen andere jongeren wil zeggen is duidelijk: “Hoe moeilijk het ook is, praat erover.” Dat hoeft niet met iemand die je kent. Het kan ook anoniem. “Maar praat er alsjeblieft over. Mensen zijn begripvoller dan je denkt en er zijn genoeg mensen die je willen helpen.”
Volgens Achraf wordt er vaak gezegd dat jongeren overdrijven. “Omdat we nog ‘te jong’ zouden zijn voor echte problemen.” Maar mentale klachten zijn niet minder echt omdat je jong bent. Wat voor anderen klein lijkt, kan voor een jongere enorm voelen.
En misschien is dat wel het belangrijkste om te onthouden:
Ook als je nog kunt lachen, kan het vanbinnen donker zijn. En juist dan mag je om hulp vragen.
Hulp nodig? Je hoeft het niet alleen te doen
Misschien herken je jezelf in (delen van) Achraf’s verhaal. Of merk je dat het iets bij je losmaakt. Wat het ook is: je hoeft er niet alleen mee rond te blijven lopen. Hulp vragen mag.
TW: Dit interview bevat onderwerpen zoals zelfbeschadiging, suïcidale gedachten, depressie.
Lees dit alleen als je je hier emotioneel klaar voor voelt. Dat kan heftig zijn. Hulp nodig? Kijk op 113.nl.
Eva is 20 en worstelt al jaren met mentale problemen, vooral met een depressie. “Het is de laatste jaren iets verminderd,” vertelt ze, “maar ik merk er nog steeds veel van.”In de zwaarste periode sneed ze zichzelf regelmatig. Ze praatte er met niemand over. “Ik voelde me heel alleen, omdat ik dacht dat ik de enige was die hiermee te maken had.”
Eva (20): “Hulp vragen voelt eng, maar het kan je leven echt lichter maken”
Eva is 20 jaar en vertelt haar verhaal in de hoop dat anderen zich erin herkennen en misschien net iets eerder durven te praten. Hulp vragen is moeilijk, weet ze nu. Maar zwijgen kan soms nog zwaarder zijn.
Toen Eva 11 jaar was, kreeg ze anorexia. Wat begon als controle over eten, groeide langzaam uit tot een allesoverheersende manier van leven. Haar dagen draaiden steeds meer om regels, angst en het verbergen van wat er echt speelde. Ze kwam in aanraking met hulpverlening, maar herstel lukte toen nog niet. “Je kunt niet half herstellen, niemand kan het je opleggen.” zegt Eva nu. “Maar dat besef heb je pas als je er zelf klaar voor bent. Je moet het echt zelf willen, alleen dan accepteer je hulp.”
Wat Eva ook aangeeft is dat de hulpverlening en haar omgeving alleen maar de nadruk leggen op dat het slecht ging. Er was geen ruimte of vraag naar dingen die wel goed gingen of ruimte voor hobby’s. Als meer aandacht naar het positieve gaat dan haal je ook even de aandacht van anorexia af. Want daar ben je zelf toch al dag en nacht mee bezig.
Eva ging op zoek naar meiden die ook eetstoornissen hadden. Ze kwam terecht bij online groepen waar ze in gesprek ging met andere meiden. Ze zocht herkenning, begrip en een plek waar ze zich gezien voelde. In eerste instantie leek ze die daar te vinden. Maar al snel merkte ze dat deze groepen haar eetstoornis juist versterkten. Het ongezonde gedrag werd genormaliseerd en aangemoedigd, waardoor afstand nemen steeds moeilijker werd.
“Mannen die zich voordeden als coach of mentor.”
Wat Eva toen niet kon overzien, is dat zich in die groepen ook volwassenen bevonden met verkeerde bedoelingen. Mannen die zich voordeden als coach of mentor, die deden alsof ze haar wilden helpen en begeleiden. Ze speelden bewust in op haar kwetsbaarheid, gaven ‘advies’ en bouwden langzaam vertrouwen op. “Ik was jong, ziek en zocht houvast,” vertelt Eva. “Pas veel later snapte ik dat dit niet ging om helpen, maar om controle en manipulatie.”
Tegelijkertijd begon Eva steeds meer te liegen. Over haar eten, over hoe het echt met haar ging, over het online contact. Dat liegen was geen bewuste keuze meer, maar werd een automatisme. “Ik was al zo lang dingen aan het verbergen, dat eerlijk zijn bijna niet meer lukte,” zegt ze. “Liegen voelde veiliger dan de waarheid vertellen.” De eetstoornis vroeg om geheimen, en die geheimen werden een gewoonte.
Dat maakte hulp vragen steeds lastiger. Het is heel moeilijk om iemand te helpen die enorm zijn best doet om het te verbergen. “Soms zei ik wel eens dat het niet goed ging, maar dan kreeg ik een antwoord terug waar ik niets aan had. Mensen zeiden dan, je hebt gisteren toch een boterham gegeten? Maar het gaat niet om gisteren, het gaat om vandaag, om hoe ik me nu voel en wat ik nu nodig heb.”
“De gedachtes van vandaag, zijn niet die van gisteren.”
Uiteindelijk durfde Eva voorzichtig iets te delen met een vriendin. Die luisterde zonder te oordelen of te duwen. Dat moment betekende niet dat alles ineens beter werd, maar het was wel een eerste stap naar open staan voor hulp. “Je verhaal vertellen zonder dat de ander een oordeel heeft is heel belangrijk,” zegt ze.
Op haar achttiende ging Eva naar een kliniek. Hier werd ze goed geholpen. Het ging inmiddels al veel verder dan alleen hulp voor anorexia, door alle ervaringen waren er ook depressies en trauma’s en problemen met automotulatie bij gekomen die verwerkt moesten worden.
Wat haar helpt, is het besef dat hulp vragen niet één vast pad kent. Het kan beginnen met een appje, een anoniem gesprek of één persoon die weet wat er speelt. “Voor veel jongeren is anoniem hulp zoeken een veilige eerste stap,” zegt Eva. “Zeker omdat je bang bent voor een oordeel van de ander.”
“Je liegt omdat je niet meer weet hoe je veilig eerlijk kunt zijn.”
Eva hoopt dat volwassenen en professionals beter begrijpen hoe complex dit soort situaties zijn. Dat liegen geen onwil is, maar vaak een signaal van hoe vast iemand zit. “Je liegt niet omdat je niet geholpen wilt worden,” zegt ze. “Je liegt omdat je niet meer weet hoe je veilig eerlijk kunt zijn.” Je bang bent om het enige kwijt te raken wat je je goed laat voelen en afleid van trauma’s en negatieve gedachten. Het voelt alsof hulpverlening een stukje van jou wil afpakken.
Aan jongeren die nu worstelen, wil Eva dit meegeven:
“Je hoeft dit niet alleen te doen. Ook al voelt praten eng of onmogelijk, er is altijd een manier die bij jou past. Eén iemand die weet wat er speelt, kan al genoeg zijn om het verschil te maken.”
Hulp nodig? Je hoeft het niet alleen te doen
Misschien herken je jezelf in (delen van) Eva’s verhaal. Of merk je dat het iets bij je losmaakt. Wat het ook is: je hoeft er niet alleen mee rond te blijven lopen. Hulp vragen mag. Ook voor jou.
Hulp nodig? Je hoeft het niet alleen te doen
Misschien herken je jezelf in (delen van) Eva’s verhaal. Of merk je dat het iets bij je losmaakt. Wat het ook is: je hoeft er niet alleen mee rond te blijven lopen. Hulp vragen mag.
TW: Dit interview bevat onderwerpen zoals zelfbeschadiging, suïcidale gedachten, depressie.
Lees dit alleen als je je hier emotioneel klaar voor voelt. Dat kan heftig zijn. Hulp nodig? Kijk op 113.nl.
Ayana is 24 en worstelt al jaren met mentale problemen, vooral met een depressie. “Het is de laatste jaren iets verminderd,” vertelt ze, “maar ik merk er nog steeds veel van.”In de zwaarste periode sneed ze zichzelf regelmatig. Ze praatte er met niemand over. “Ik voelde me heel alleen, omdat ik dacht dat ik de enige was die hiermee te maken had.”
Ayana is 24 als ze terugkijkt op de periode die haar leven voorgoed veranderde. Ze was veertien toen haar moeder plotseling ernstig ziek werd. “Mijn moeder was altijd hard aan het werk. Als ik naar school ging, was zij al weg. Dus toen haar fiets er ’s ochtends nog stond, wist ik meteen dat er iets niet klopte.”
Wat begon met onderzoeken en onduidelijkheid, eindigde in een boodschap die haar wereld deed instorten: haar moeder had een levensbedreigende auto-immuunziekte. Ayana moest zich voorbereiden op het feit dat haar moeder binnen korte tijd zou kunnen overlijden. “Dat werd gewoon even tegen ons gezegd. Maar ik was veertien. Ik kon dat helemaal niet dragen.”
“Ik spijbelde van school om alles draaiende te houden. Ondertussen was ik zelf ook depressief.”
Vanaf dat moment werd ze mantelzorger. Ze regelde medicatie, hielp haar moeder met wassen en aankleden, deed het huishouden, zorgde voor de huisdieren en nam een bijbaan om de financiën rond te krijgen. “Ik spijbelde van school om alles draaiende te houden. Ondertussen was ik zelf ook depressief.”
De verantwoordelijkheid drukte zwaar. Ayana maakte zich constant zorgen: over geld, over haar moeder, over de toekomst. “Ik was bang dat mijn moeder zou overlijden. Dat ik het huis moest leegruimen. Dat ik nergens meer terechtkon.”
Hulp zoeken bleek ingewikkeld. Ze klopte aan bij huisarts en gemeente, maar concrete ondersteuning bleef uit. Pas op haar zeventiende kwam er één uur huishoudelijke hulp per week. “Dat uur ging op aan mijn therapie. Voor de rest deed ik alles zelf. Wondverzorging, wassen, steunkousen aantrekken. Dingen die eigenlijk niet bij een kind horen.”
Toen haar moeder door een experimentele behandeling opknapte en haar moederrol weer wilde oppakken, ontstonden er spanningen. “Ik kon dat niet meer accepteren. Ik had jarenlang alles gedaan. Ik wist niet meer hoe ik ‘gewoon dochter’ moest zijn.” De angst bleef. Zelfs ’s nachts controleerde ze of haar moeder nog ademde.
“Je denkt dat het overal zo gaat. Pas toen klasgenoten vertelden over hoe fijn het thuis was, begon ik te voelen: er klopt iets niet.”
De mantelzorg stond niet op zichzelf. Ayana groeide op in een onveilige thuissituatie met psychische mishandeling en verwaarlozing. Lange tijd besefte ze niet dat het niet normaal was. “Je denkt dat het overal zo gaat. Pas toen klasgenoten vertelden over hoe fijn het thuis was, begon ik te voelen: er klopt iets niet.”
Wanneer ze probeerde te praten, werd ze niet altijd geloofd. Soms werd ze gezien als ‘het probleem’. Dat maakte haar stiller. “Je leert om te zwijgen. Om je aan te passen. Om te denken dat het aan jou ligt.”
In haar tienerjaren zakte ze steeds dieper weg in depressie en suïcidaliteit. Een jongerenwerker merkte op dat het niet goed ging. Toch veranderde er thuis weinig. “Mijn leven draaide om overleven. Mijn eigen herstel kwam niet aan bod, want ik was bang om alles kwijt te raken.”
Pas na een suïcidepoging en een periode van beschermd wonen kwam er ruimte om aan zichzelf te werken. “Dat voelde alsof ik mijn moeder in de steek liet. Maar eigenlijk redde ik mijn eigen leven.”
In therapie leerde Ayana kijken naar wat er onder haar klachten lag: trauma, angst, verantwoordelijkheid die nooit van haar had mogen zijn. Ze ontdekte hoe weinig ze eigenlijk wist over zichzelf. “Toen het eindelijk iets beter ging, voelde het als een leeg canvas. Wie ben ik zonder al die zorgen?”
“Herstel is niet mooi en niet recht. Het is rommelig. Soms zit je er middenin zonder dat je het doorhebt.”
Ze begon voorzichtig te ontdekken wat bij haar paste. Studeren. Werken. Grenzen leren voelen. Fouten mogen maken. “Herstel is niet mooi en niet recht. Het is rommelig. Soms zit je er middenin zonder dat je het doorhebt.”
Schrijven en schilderen hielpen haar wanneer woorden tekortschoten. Ook plekken waar ze ‘gewoon mocht zijn’, zoals een jongerencentrum, waren van onschatbare waarde. “Niet alles hoeft altijd over problemen te gaan. Soms is samen tafelvoetballen al genoeg.”
Tegenwoordig heeft Ayana een eigen bedrijf waarin ze trainingen en lezingen geeft. Haar ervaringen vormen niet langer haar identiteit, maar geven wel richting aan wat ze doet.
“Ik ben niet meer dat depressieve meisje. Dat is een deel van mijn verhaal, maar niet wie ik ben.”
Ayana denkt dat praten essentieel is, maar ook ingewikkeld. “Als het thuis onveilig is, kan hulp vragen spannend of zelfs risicovol voelen. Zoek iemand die je vertrouwt. Een docent, een trainer, een jongerenwerker. Iemand die met je meedenkt en zorgvuldig handelt.”
Ze benadrukt dat herstel mogelijk is. “Ook als het leeg voelt. Ook als je denkt dat het nooit anders wordt. Soms zit je al in herstel zonder dat je het ziet.”
En misschien wel het belangrijkste: Je bent meer dan wat je hebt meegemaakt. Wat er ook is gebeurd, dat hoeft niet de rest van je leven te bepalen.
Hulp nodig? Je hoeft het niet alleen te doen
Misschien herken je jezelf in (delen van) Ayana’s verhaal. Of merk je dat het iets bij je losmaakt. Wat het ook is: je hoeft er niet alleen mee rond te blijven lopen. Hulp vragen mag.
Lotte is 18 jaar. Jarenlang kampte ze met mentale problemen die langzaam steeds zwaarder werden. Toen haar ouders rond haar achtste gingen scheiden, veranderde er veel. Haar vader werkte veel en haar moeder was vaak weg. Samen met haar broer zat ze regelmatig alleen thuis. “Het voelde alsof ik er niet toe deed.”
Het gevoel er niet toe te doen
Lotte begon haar gevoelens op te kroppen. Van binnen was ze boos, maar ze liet niemand dichtbij komen. Op de middelbare school voelde ze zich steeds eenzamer. Ze werd gepest en werd bang om naar school te gaan. Uiteindelijk begon ze steeds vaker te spijbelen omdat ze zich daar niet veilig voelde.
Toen ze de moed verzamelde om tegen haar mentor te zeggen dat iemand gemeen tegen haar deed, kreeg ze te horen dat dat niet werd geloofd. “Dat bevestigde voor mij weer dat ik er niet toe deed.” Haar vertrouwen kreeg opnieuw een klap.
De jaren daarna ging het bergafwaarts. Lotte had meerdere psychologen, maar werd steeds doorgestuurd. Dat gaf haar het gevoel dat niemand haar echt kon helpen. Er volgde zelfs een periode in een crisisopvang.
Leegte, boosheid en afstand
In die periode voelde Lotte zich vooral leeg. Blijdschap voelde ze nauwelijks meer. Ze stopte met haar hobby’s omdat het niet meer lukte en haar dat alleen maar frustreerde. Muziek was één van de weinige dingen die haar nog een beetje kracht gaf. Het gaf hoop dat het ooit beter kon worden.
Hulp wilde ze toen eigenlijk niet. Ze weigerde te praten of loog over hoe het ging. Bij een psycholoog sloeg ze dicht en werd ze boos. Online zocht ze herkenning via TikTok. Video’s van anderen die zich hetzelfde voelden gaven even het gevoel dat ze niet alleen was. Maar ze zag ook verhalen van mensen die het “erger” hadden, waardoor ze dacht dat ze zich aanstelde.
“Ik bleef in dat algoritme hangen, terwijl het me eigenlijk niet hielp.”
Thuis en op school waren er signalen genoeg. Ze zonderde zich af, zat vooral op haar kamer en was vaak boos. Ze stopte met de hobby’s waar ze eerst blij van werd. Haar ouders zagen wel dat het niet goed ging, maar Lotte voelde niet dat ze écht werd geholpen. Ze denkt dat het misschien had geholpen als er thuis meer over gevoelens werd gepraat. Tegelijkertijd weet ze niet of ze daar toen voor open had gestaan. “Als iemand vroeg hoe het ging, werd ik alleen maar geïrriteerd. Maar eigenlijk wilde ik het wél delen.”
Leren dat hulp mag
Wat haar uiteindelijk het meest hielp, was dat mensen zonder oordeel luisterden. Bij een jeugdkliniek voelde ze zich voor het eerst serieus genomen. Ze merkte dat ze niet ‘raar’ was, maar iemand die hulp nodig had en dat dat mocht. Medewerkers die zelf vergelijkbare dingen hadden meegemaakt, gaven haar hoop.
“Al zit je diep in de put, er is altijd een uitweg.”
Lotte leerde dat emoties tonen geen zwakte is. “Ik dacht dat ik sterk moest zijn door alles op te kroppen.” Nu weet ze dat het juist krachtig is om gevoelens te erkennen en te uiten, ook als dat moeilijk is.
Mensen zagen vaak een stil meisje dat weinig zei. Maar vanbinnen speelde er veel meer. “Stilte betekent niet dat er niks aan de hand is.” Praten lukte gewoon niet; het voelde te zwaar om uit te leggen wat er in haar omging. Zelfs nu vindt ze het soms lastig om nieuwe vriendschappen aan te gaan, uit angst om gekwetst te worden.
Er waren ook kleine momenten van hoop. Tijdens de intake bij de jeugdkliniek vertelde een casemanager over zijn eigen leven. Dat gaf haar vertrouwen dat ook zij kon groeien. En kleine dingen, zoals naar concerten gaan, gaven haar even het gevoel van vrijheid.
Nu kijkt ze anders naar zichzelf. Ze ziet hoeveel ze is gegroeid. “Ook al wil ik soms nog opgeven, ik ben sterker geworden dan ik ooit had gedacht.” Kleine stappen vooruit betekenen voor haar alles.
Wat ze andere jongeren wil meegeven: het is oké om hulp te vragen. Het is niet zwak, het vraagt juist moed. Zoek kleine dingen die je even goed laten voelen. En onthoud dat je gevoelens serieus zijn, ook als anderen dat niet altijd begrijpen.
“Je hoeft het niet perfect te doen. Het is al genoeg dat je het probeert.”
Hulp nodig? Je hoeft het niet alleen te doen
Misschien herken je jezelf in (delen van) Lotte’s verhaal. Of merk je dat het iets bij je losmaakt. Wat het ook is: je hoeft er niet alleen mee rond te blijven lopen. Hulp vragen mag.
Johnny is 23 jaar. Als hij terugkijkt op de afgelopen jaren, ziet hij hoe geldzorgen en mentale problemen langzaam in elkaar zijn gaan grijpen. Niet van de ene op de andere dag, maar stap voor stap.
Vanaf zijn achttiende gaf Johnny veel geld uit aan luxe hotels, stappen en dure kleding, het leven moest leuk zijn. Vaste lasten liet hij liggen en hij gaf structureel meer uit dan er binnenkwam. “Ik leefde alsof het altijd zo door kon gaan,” vertelt hij. De consequenties voelden ver weg. Pas later kwamen ze hard binnen. Inmiddels, in 2026, staat Johnny onder bewind.
Tegelijkertijd speelde er mentaal veel meer dan hij toen doorhad. In 2023 kreeg hij een heftige psychose. Hij zat niet lekker in zijn vel, woonde op een plek waar hij zich niet veilig voelde en gebruikte veel drugs. In het weekend stond hij tot diep in de nacht achter de bar. Rust of stabiliteit was er nauwelijks.
“Mentaal voelde ik me heel eenzaam en niet gehoord,” zegt Johnny. “Je raakt je sociale leven kwijt. Vrienden begrijpen je niet, en je begrijpt jezelf ook niet meer.” De geldproblemen voelde hij op dat moment minder. “Ik deed gewoon wat ik zelf wilde. De gevolgen schoof ik vooruit.”
Wat hij het zwaarst vond in die periode, was het gevoel zichzelf kwijt te zijn. Door de medicatie die hij slikte, voelde hij zich vlak en oppervlakkig. “Ik herkende mezelf niet meer,” vertelt hij. “Dat vond ik misschien nog wel erger dan alles wat er omheen speelde.”
“Hulp voelde als controleverlies.”
Johnny wist in theorie wel waar hij terechtkon voor hulp. Voor zijn schulden wist hij wat de mogelijkheden waren, maar hij wilde er lange tijd niets van weten. “Ik wilde zelf baas blijven over mijn geld,” zegt hij. Hulp voelde als controleverlies. Voor zijn mentale gezondheid wist hij ook waar hij moest zijn, maar de realiteit van lange wachtlijsten maakte het moeilijk om echt geholpen te worden.
Johnny ging online op zoek naar informatie. Hij hoopte verhalen te vinden van mensen die hetzelfde hadden meegemaakt. “Herkenning, maar ook oplossingen,” zegt hij. “Gewoon weten dat je niet de enige bent.”
“Op social media lijkt het alsof iedereen een perfect leven heeft. Dan voelt het alsof jij faalt, en durf je je problemen niet te delen.”
Achteraf ziet hij dat er mensen waren die hem hadden kunnen helpen. Zijn ouders bijvoorbeeld, al was dat in die periode ingewikkeld. “Mijn emoties gingen alle kanten op,” vertelt hij. “Dat maakte het contact soms lastig.” Wat jongeren volgens Johnny vaak tegenhoudt om hulp te vragen, is schaamte en angst. “Op social media lijkt het alsof iedereen een perfect leven heeft. Dan voelt het alsof jij faalt, en durf je je problemen niet te delen.”
Dat mensen signalen hadden kunnen zien, daar is Johnny duidelijk over. Vooral mentaal. Hij was vaker gefrustreerd, afwezig en minder vrolijk. “Als je erop let, zie je het,” zegt hij.
Wat hem echt geholpen heeft, is de steun van zijn stiefvader Leo. In de periode dat het mentaal slecht ging, nam Leo veel praktische zaken over. Hij hielp met financiën en het maken van afspraken. “Dat gaf rust,” vertelt Johnny. “Iemand die het even voor je regelt als je dat zelf niet kunt.”
“Eerlijk gezegd heb ik liever een gebroken been dan nog een psychose.”
De belangrijkste les die Johnny heeft geleerd, is hoe kwetsbaar mentale gezondheid is. “Dat is echt het allerbelangrijkste,” zegt hij. “Wees daar dankbaar voor.” Hij benadrukt dat simpele dingen, die voor anderen vanzelfsprekend zijn, dat niet zijn voor iemand met psychoses of schizofrenie. “Eerlijk gezegd heb ik liever een gebroken been dan nog een psychose.” En over geld is hij stellig: “Laat problemen niet opstapelen. Wees er op tijd bij.”
Momenten van hoop zaten voor Johnny in de kleine dingen. Een telefoontje met zijn vader of oma kon al genoeg zijn om hem weer even overeind te houden. “Dat gaf me kracht,” zegt hij.
Aan jongeren die nu in een vergelijkbare situatie zitten, wil Johnny dit meegeven:
“Geef niet op. Zie het als een film: aan het einde komt het meestal weer goed. Je bent wie je bent, en jouw tijd komt nog.”
“Blijf fit en geniet van het leven, maar doe het met mate. En pas op met drank en drugs.”
Tot slot:
Wat volgens hem vaak niet wordt begrepen, is dat geldzorgen en mentale klachten iedereen kunnen overkomen. “Mensen denken soms dat we ons aanstellen,” zegt hij. “Maar problemen maken geen onderscheid in leeftijd of achtergrond.”
Hulp nodig? Je hoeft het niet alleen te doen
Misschien herken je jezelf in (delen van) Johnny’s verhaal. Of merk je dat het iets bij je losmaakt. Wat het ook is: je hoeft er niet alleen mee rond te blijven lopen. Hulp vragen mag.